Stoepranden met Jezus

Ons vriendje bleef maar binnen. Dat was uitzonderlijk, want iedereen speelde buiten. Als iemand niet meedeed, wist je: die is écht ziek. Later hoorden we gefluister tussen onze ouders. Hij was heel ziek, zeiden ze. We wilden hem graag zien, want binnenblijven, dat was serieus. We misten hem ook. Dagenlang liepen we langs zijn huis, hopend hem te zien. Maar de gordijnen waren half gesloten.

Eén keer verzamelden we al onze moed en belden aan. Misschien mochten we met hem spelen? Een huilende vrouw opende de deur, maar nog voordat we iets konden zeggen, sloeg ze de deur in ons gezicht dicht. Dat was schrikken. Waarom mocht dit niet? Waarom huilde ze? Ik vroeg het later aan mijn moeder.

‘Hij heeft een oorontsteking,’ zei ze.

Oorontsteking? Dat klonk bekend. Ik wist hoe pijnlijk dat was, want ik had zelf vaak oorontstekingen gehad. Dan kwam de thermometer tevoorschijn, en bij gebleken koorts mocht je op de bank liggen en werd er een paardenbiefstukje gekocht om aan te sterken. Na de zoveelste oorontsteking had ik zelfs buisjes in mijn oren gekregen. Mijn moeder zei dat dat kwam omdat ik zo’n waterrat was. Maar van een oorontsteking bleef je toch niet zo lang ziek binnen?

Toen hij niet meer meedeed, begonnen we hem te missen. Maar het voelde anders dan normaal. Alsof we allemaal wisten dat dit niet zomaar was.

En toen, op een ochtend, stond de lange zwarte auto daar. Geen geluid, geen beweging, alleen die auto die alles leek te zeggen wat niemand hardop durfde. Het werd ons ten strengste verboden naar buiten te kijken, zelfs niet om een vluchtige blik te werpen op de grote zwarte auto die daar bleef staan, alsof hij wachtte op iets.

‘Het is de engel des doods,’ fluisterde mijn nichtje, die bij mij logeerde.

Niemand ging naar buiten, niet eens om even naar het hek te lopen. Zelfs de hond van de buren, die altijd blafte als er een auto langsreed, was stil. Het voelde alsof de straat zijn adem inhield. Ik keek stiekem vanachter het gordijn en probeerde me voor te stellen wat er in die auto gebeurde. Was er iemand binnen? Keken ze naar ons huis, naar mij? Het voelde alsof de auto alles wist wat wij niet wisten.

En toen hoorden we het: ons buurjongetje was niet meer bij ons, hij sliep vanaf nu bij Jezus. We begrepen het niet helemaal. Betekende dat dat hij dood was? Ik was geschokt. Hoe kon dit? Hoe kon iemand naar de hemel gaan door een oorontsteking? Zat Jezus in die auto, met zijn handen op het stuur te wachten om hem op te halen?

Mijn eigen moeder deed haar best om gewoon te blijven doen. Ze zei niets over het buurjongetje, behalve die ene keer toen ik voorzichtig vroeg waar hij nu was.

‘Hij is nu een engeltje,’ zei mijn moeder, terwijl ze met een klap de pan met aardappels op het fornuis zette. ‘God houdt het meest van kinderen.’

Ik vroeg me af hoe dat zat. Als God het meest van kinderen hield, waarom haalde Hij ze dan zo vroeg op in een auto? Was dat niet een beetje oneerlijk voor de ouders? Maar dat vroeg ik niet hardop. Mijn moeder hield niet van vragen die ze niet zelf had verzonnen.

‘God houdt ook van jou,’ voegde ze er nog snel aan toe, met een blik die duidelijk maakte dat ik beter niet kon vragen of Hij me dan ook binnenkort kwam ophalen.

Als we erover doorvroegen, kregen we geen antwoord. ‘Niet over praten,’ zeiden onze ouders. En als ik bleef aandringen, volgde: ‘Houd je grote mond.’

Ik was bang, écht bang. Wat betekende dit voor mij?

Ik bleef er maar aan denken. Hoe kon iemand zomaar verdwijnen? Hij speelde met ons, lachte, en nu… niets. Het voelde alsof hij gewoon van de wereld was weggeveegd. Geen spoor. We hadden geen gedag gezegd. Niets…

Ik keek naar mijn eigen lichaam, naar mijn handen en voeten. Wat als het mij zou overkomen? Ik had zelf zo vaak oorontstekingen gehad. En wat dan? Zou ik ook zomaar verdwijnen? Mijn moeder zei dat ik er niet over mocht praten. Hij was naar God geroepen en God houdt nou eenmaal het meeste van kinderen, wat fijn is om te weten voor zijn ouders. Dat maakte het alleen maar enger. Als God het meeste van kinderen houdt, kan ik dan ook zomaar in de nacht worden opgehaald? Zou ik dan eindelijk vreugde geven aan mijn ouders? Ze noemden mij tenslotte een lastig kind met al mijn vragen…

En elke keer dat ik zelf ziek werd, elke keer dat mijn oor weer begon te kloppen, voelde ik iets dat ik nog niet kende: angst. Niet voor de pijn, maar voor wat erna zou komen. Want hoe kon je weten wanneer iets gewoon pijn was, en wanneer het je stilletjes zou meenemen, zoals mijn buurjongetje?

Volgens mijn nichtje speelde hij nu stoepranden met Jezus.

Ik vond dat oneerlijk. Jezus zou vast vals spelen, want Hij kon de bal laten zweven.

Dat had hij vast van zijn vader geleerd.

Over Margreet Blaas

Margreet Blaas is beeldend kunstenaar, Master of Realism, medium, reader en docent. Al meer dan dertig jaar houdt zij zich bezig met kunst, intuïtieve ontwikkeling, mediumschap en bewustzijn. Samen met Mark Falconer Atlee richtte zij in 1999 Nimis Centre of Light op.

In haar columns verbindt zij persoonlijke ervaringen met haar jarenlange praktijk als kunstenaar en docent. Ze schrijft over mensen, dieren, familie, spiritualiteit en de soms wonderlijke situaties van het dagelijks leven. Haar stijl is persoonlijk, observerend en nuchter, met ruimte voor humor en verwondering.

Lees verder

Sommige herinneringen blijven liggen tot ze ineens weer boven komen drijven. Andere verhalen dienen zich gewoon aan, midden in het dagelijks leven. Ik schrijf ze op zoals ik ze zie en zoals ik ze me herinner – soms met verwondering, soms met verbazing en soms omdat ik er zelf nog om moet lachen.

Hieronder vind je mijn laatste columns.

Margreet Blaas