Op avontuur, zo voelde het toen ik zelf naar school mocht lopen, zonder moeder. Na uitgebreide instructies over oversteken – links, rechts, links, en dan pas gaan – liep ik met anderen dezelfde route. Onderweg daagden we elkaar uit. Belletje lellen was favoriet, maar één keer bleef een vriendinnetje te lang staan. Toen de deur openging, schrok ze zo dat ze in haar broek plaste.
Langs de route lag het huis met dat enge bordje: een esculaap. Een slang op een staf. We snapten niet waarom iemand zoiets boven zijn deur zou hangen, maar we wisten zeker dat het slecht nieuws was. Slangen waren gevaarlijk, en in onze verbeelding betekende dat bordje dat er een heks woonde. Net zo eng als Eucalypta uit het Dierenbos, maar dan echt. Het huis passeerde je niet zomaar. Als je dichtbij kwam, voelde je je nekhaartjes overeind staan. We fluisterden dat de heks kinderen het huis introk en in de kelder opsloot. Als je erlangs durfde, was je een held.
Op een dag vonden we iets vreemds op straat. Een doorzichtig, glimmend, nat, lang soort zakje. Het lag daar zomaar, alsof het uit de lucht was gevallen. We wisten niet wat het was, maar voelden meteen dat het niets gewoons kon zijn. Niemand durfde het aan te raken. Uiteindelijk pakte iemand een stokje en prikte erin, heel voorzichtig, alsof het elk moment kon exploderen.
‘Misschien is het een geheim wapen,’ zei mijn vriendin.
‘Of een dood dier.’
Niemand wilde het aanraken, maar iedereen wilde erlangs lopen. We fluisterden erover alsof het gevaarlijker was dan een slang. Het lag er dagenlang, onaangeroerd. Iedere keer dat we erlangs kwamen, staarden we er vol spanning naar. Had het bewogen? Was het gegroeid? We fluisterden erover, maar niemand durfde echt dichterbij te komen.
Uiteindelijk haalden we een oudere buurjongen erbij, iemand die alles leek te weten. Hij liep ernaartoe, keek even en zei met een serieus gezicht:
‘Dat is een kapotje.’
We knikten allemaal alsof we het begrepen, maar stiekem hadden we geen idee. Het woord klonk belangrijk, bijna gewichtig.
Iemand vroeg fluisterend:
‘Wat doet het dan?’
De buurjongen haalde zijn schouders op.
‘Ik denk dat het kapot is, anders zou het niet zo heten.’
Iemand stelde voor het aan een volwassene te vragen, maar die suggestie werd meteen weggelachen. Volwassenen wisten het misschien wel, maar die konden geen geheim bewaren. Mijn nichtje zei dat het misschien een magisch voorwerp was, een toverzakje dat je iets kon laten wensen.
‘Waarom heet het dan een kapotje?’ vroeg ik.
Ze haalde haar schouders op.
‘Misschien moet je het repareren voordat het werkt.’
Dat klonk logisch, dus we gingen op zoek naar plakband, maar niemand durfde het echt aan te raken. Uiteindelijk besloten we dat het misschien beter was om het gewoon te laten liggen. Wat als het echt iets deed?
Het woord kapotje klonk steeds mysterieuzer, een beetje vies zelfs. We voelden allemaal dat het iets ‘verbodens’ was, iets wat niet voor ons kinderen bedoeld was. En juist daarom konden we onze ogen er niet vanaf houden. Niemand liep er meer langs zonder stiekem even te kijken. Want zelfs al begrepen we het niet, we wisten één ding zeker: dit was geen gewone vondst.
Volgens mijn vriendje kon het zakje ontploffen als je er te lang naar keek. Dus we keken allemaal zo snel mogelijk weg, behalve mijn neefje. Die bleef staren, alsof hij wilde zien wat er zou gebeuren.
Het lag er nog dagen, alsof het ons uitdaagde om het geheim ervan te ontrafelen. Maar inmiddels wilde niemand het eigenlijk meer weten. We spraken het woord ‘kapotje’ nu ook weleens hardop uit, maar het bleef een geheim dat net buiten ons bereik lag.
En op een dag was het weg.
Misschien had iemand het weer heel gemaakt.