Ik schrok op. Mijn broer zei iets wat niet mocht. Terwijl hij tot nu toe nog niet echt sprak. Maar zijn eerste woord was niet het gehoopte “mama” of “papa”, maar “godverdomme”. Hij articuleerde duidelijk en goed. Het kwam eruit met een zekerheid die zowel hilarisch als ontluisterend was. Mijn moeder greep geschokt naar zijn arm. Mijn vader grijnsde achter zijn krant. Ik was blij verrast. Mijn broertje keek ondeugend met een scheve grijns naar mij.
Het bleef niet bij dat ene woord. Binnen de kortste keren werd mijn broertje een wandelend scheldkanon. “Kuthoer,” mompelde hij toen mijn moeder zijn pap niet snel genoeg gaf. “Teringlijer,” brulde hij naar de buurman die net zijn fiets neerzette.
Mijn moeder werd er wanhopig van.
“Het is jouw schuld,” beet ze mijn vader toe. “Hij heeft dat van jou.”
“Komt omdat we boven de brandweerkazerne wonen. Hoort-ie al die mannen natuurlijk.”
Mijn vader zei wijselijk niets, maar ik zag hoe hij moeite had om niet hardop te lachen. Zijn schouders schokten een beetje.
De Peettante van mijn broer, een vlotte Amsterdamse van de Haarlemmerdijk, was wel wat gewend daar in de stad en bood aan hem mee te nemen naar de winkel.
“Bij mij doet hij dat niet, lieverd,” zei ze zelfverzekerd. “Hij zit gewoon op jouw reactie te wachten.”
“Kom maar mee, schatje,” zei ze. Ze zette hem met zijn muts op in zijn kinderwagen en duwde hem voortvarend de deur uit. Als ik vlug mijn jas aandeed, mocht ik ook mee, zei ze. Dat wilde ik voor geen goud missen. Tot opluchting van mijn moeder duwde ze hem de deur uit. Hij zat vrolijk mummelend in zijn wagen.
Maar bij de slagerij ging het al meteen mis. Toen de slager vroeg of hij een plakje worst wilde, antwoordde mijn broertje:
“Klootzak, krijg de tyfus.”
Mijn tante negeerde het dapper.
Het plakje worst werd teruggelegd.
Bij de groenteboer ging het verder bergafwaarts.
“Wil je een worteltje, jongen?” vroeg de vriendelijke vrouw, die over de kinderwagen boog.
“Vuile kuthoer,” schreeuwde hij.
Ik stak mijn vinger in de lucht. Mijn “ik wel” werd niet gehoord.
Woest duwde mijn tante hem de winkel uit. Onderweg begroette mijn broer iedereen vloekend en scheldend. Hij kon zijn lol niet op. Ik eigenlijk ook niet. Van het voorbeeldige broertje naar deze orerende knaap — die overgang had ik niet verwacht.
Mijn tante bracht hem met een vuurrood gezicht terug naar huis. Mijn moeder, ergens tussen wanhoop en triomf, nam hem weer uit de wagen. Mijn tante had er geen woorden voor en stond er ontdaan bij.
“Zie je wel,” zei mijn moeder. “Hopeloos. Ik hoop dat je geen bekenden bent tegengekomen.”
Aan tafel zat mijn vader stil te glimlachen. Zijn ogen vol trots, zijn houding één en al baldadigheid.
O jee, dacht ik.
Hij neemt hem mee naar beneden om hem aan de mannen van de kazerne te laten zien.