
Alles is onderwerp
Over waarneming, bewustzijn, kunst, mediumschap en de zoektocht naar wie we werkelijk zijn
Door Margreet Blaas
Er loopt een merkwaardige lijn door mijn leven. Van een kind dat zich afvroeg waarom zij überhaupt weer een kind moest zijn, via sociaal-cultureel werk, intuïtieve ontwikkeling, healing en mediumschap naar schilderkunst, schrijven en lesgeven. Lange tijd zag ik dat als verschillende interesses en verschillende levensfasen. Inmiddels denk ik dat het steeds hetzelfde onderzoek is geweest.
Wie zijn wij wanneer we voorbijgaan aan wat ons is verteld dat we zijn? Wat nemen we werkelijk waar? Wat gebeurt er wanneer we onze waarneming leren vertrouwen én onderzoeken? En hoeveel werkelijkheden kunnen naast elkaar bestaan?
Dit is daarom geen klassieke autobiografie en ook geen opsomming van opleidingen of werkzaamheden. Het is het verhaal van een zoektocht die voor mijn gevoel al begon voordat ik wist dat er zoiets als zoeken bestond.
Van alles naar niets naar iets
Een van mijn vroegste herinneringen is dat ik als baby in mijn wieg lig en mij realiseer dat ik opnieuw moet beginnen. Ik keek om me heen en was vooral verbaasd, beduusd misschien, over de situatie waarin ik kennelijk terecht was gekomen. Was ik nu werkelijk weer een baby? Moest ik opnieuw leren eten, praten en lopen? Moest ik helemaal vanaf het begin beginnen?
Daar zat onmiddellijk een andere vraag achter: wie had dat eigenlijk bepaald? Wie had bedacht dat ik nu deze baby moest zijn, in dit lichaam en bij deze ouders? Waarom waren deze mensen ineens mijn ouders en waarom betekende dat vervolgens dat zij iets over mij te zeggen hadden?
Het voelde alsof ik van alles naar niets was gegaan en vanuit dat niets weer langzaam iets moest worden. Het merkwaardige was alleen dat ik zelf helemaal niet het gevoel had dat ik niets was. Ik was er al. Mijn lichaam was nieuw, maar ik niet.
Ik kon natuurlijk niet benoemen waar ik vandaan kwam. Ik kende geen woorden als ziel, bewustzijn, vorige levens of spirituele werkelijkheid. Ik wist alleen dat er iets veel groters was en dat ik daar heimwee naar had. Niet naar een huis of een plaats op aarde, maar naar thuis, naar waar ik werkelijk hoorde. Naar het grotere, of misschien wel naar het grootste.
Tegelijkertijd vond ik deze wereld fascinerend. Alles verwonderde mij. Ik verwonderde mij zelfs over het feit dat ik een kind was. Andere kinderen vond ik wonderlijke wezens; mensen in het algemeen trouwens ook. Ik vond het gezellig en leuk om hier te zijn, maar tegelijkertijd bleef er iets vreemds aan deze werkelijkheid kleven. Waarom deed iedereen kennelijk alsof dit allemaal volkomen vanzelfsprekend was?
Veel later werd juist dat gevoel een van de bronnen voor Kind van het circus, een boek waaraan ik nog werk. Het is geen autobiografie, maar wel een verhaal dat gevoed wordt door mijn eigen ervaringen: het anders zijn, het tegelijkertijd midden in de wereld staan en er met enige verbazing naar kijken, het nergens helemaal binnen een bestaand kader passen en vooral dat hardnekkige heimwee naar iets wat ik toen nog niet kon benoemen.
Het lichtje dat ik was
Er was bovendien dat lichtje in mij. Ik weet niet meer wanneer ik het voor het eerst zo ben gaan noemen, maar ik wist dat het er was en dat het niet zomaar iets van mij was. Dat lichtje was ik.
Ik probeerde het brandend te houden en tegelijkertijd af te schermen tegen de buitenwereld. Ergens wist ik dat het eigenlijk niet uit kon gaan, terwijl ik toch bang was dat iemand het zou kunnen uitblazen. Want als dat lichtje werkelijk was wie ik was, wat gebeurde er dan wanneer het doofde? Hield ik dan op te bestaan?
Mijn katholieke opvoeding maakte mijn vragen over de wereld er niet eenvoudiger op. Mijn moeder vertelde mij bijvoorbeeld dat God moeders ogen van voren én van achteren gaf, zodat zij alles konden zien wat hun kinderen deden. Het zal ongetwijfeld bedoeld zijn geweest om mij enigszins in het gareel te houden, maar bij mij had het een heel ander effect. Ik was geschokt. Als God ervoor zorgde dat mijn moeder alles kon zien wat ik deed en haar daarmee hielp bepalen wat ik wel en niet mocht, dan was God in mijn ogen geen heilige man maar een verrader. Daar wilde ik dus niets mee te maken hebben.
Op school werd onze verhouding er niet beter op. We moesten een liedje leren waarin werd gezongen dat er een lichtje in mijn hart was en dat dat lichtje Jezus was. Daar was ik niet door in verwarring; ik was verontwaardigd. Dat er een lichtje in mij zat wist ik namelijk allang, alleen was dat lichtje helemaal geen Jezus. Dat lichtje was ik. Ik begreep niet waarom iemand die ik niet kende ineens mijn plaats kon innemen, en al helemaal niet waarom een kerk vervolgens mocht bepalen wat mijn eigen licht betekende.
Op de lagere school kwam het al snel tot een confrontatie. Voordat de lessen begonnen moesten we bidden en ik kondigde aan dat ik dat niet ging doen. Ik geloofde niet in die God en dus ging ik ook niet tot hem bidden. Ik werd de gang op gestuurd, mijn moeder werd gebeld en ik herinner me nog die grote galmende hal waarin ik zat te wachten, niet zozeer verdrietig als wel overdonderd door de merkwaardige consequenties van het feit dat ik had gezegd wat ik dacht.
Dat ik als kind eigenzinnig werd gevonden, een sterke wil had en mij niet gemakkelijk conformeerde, is achteraf niet zo verwonderlijk. Ik wilde niet noodzakelijk dwars zijn. Ik begreep eenvoudigweg niet waarom ik mijn eigen ervaring terzijde moest schuiven omdat iemand anders mij vertelde hoe de werkelijkheid in elkaar zat. Waarom wist een volwassene iets beter omdat hij volwassen was? Waarom wist een non wat ik moest geloven? Waarom waren mijn ouders automatisch de baas omdat zij mijn ouders waren?
Ik wilde het zelf begrijpen, en eigenlijk is daar in ruim zestig jaar niet zoveel aan veranderd.

Leren, kijken en mensen
Ik hield enorm van leren. Lezen, schrijven, knippen, plakken, tekenen en ontdekken hoe iets werkte; ik vond het allemaal prachtig. Ik leerde mezelf ergens onderweg lezen en schrijven omdat letters en woorden mij fascineerden. Op school merkte ik bovendien dat ik soms dingen wist zonder precies te begrijpen hoe ik ze wist. Wanneer een juf iets vroeg, had ik soms het gevoel dat ik als het ware in haar hoofd kon kijken en daar het antwoord vond.
Ik dacht daar niet bijzonder spiritueel over. Het gebeurde gewoon.
Mijn belangstelling ging uiteindelijk steeds meer naar mensen. Ik koos voor sociaal-agogisch werk en later voor de Sociale Academie, waar ik mij specialiseerde in vrouwenwerk. Ik werkte jarenlang in buurthuizen en met heel verschillende groepen mensen. Mensen die op de een of andere manier buiten de gebruikelijke kaders vielen, interesseerden mij misschien nog wel het meest. Hoe kan iemand volledig onderdeel zijn van deze wereld en er tegelijkertijd buiten staan? Wat maakt dat wij ons met de ene mens onmiddellijk verbonden voelen en de andere nauwelijks kunnen bereiken? En wat gebeurt er wanneer je voorbij de buitenkant van iemand kijkt?
Ik werkte onder andere met Turkse en Marokkaanse vrouwen. In de tijd waarin dit speelde werd er nog heel anders over integratie, emancipatie en sociaal-cultureel werk gedacht dan tegenwoordig. Uiteindelijk hebben we bij de gemeente voor elkaar gekregen dat de vrouwen met wie wij werkten een eigen plek kregen én begeleiding vanuit hun eigen culturele achtergrond. Dat vond ik veel logischer dan mensen vanuit goede bedoelingen in een structuur te duwen die niet bij hen paste.
Ook daarin herken ik achteraf iets wat steeds terugkomt: mijn weerstand tegen het idee dat iemand anders wel even kan bepalen wat goed is voor een mens.
Na ongeveer tien jaar merkte ik dat het sociaal-culturele werk mij niet meer bracht wat ik zocht. Mijn belangstelling verschoof steeds meer van de omstandigheden rondom een mens naar wat zich ín die mens afspeelde. Ik was bovendien gevoelig voor mensen en sferen en wilde begrijpen wat ik eigenlijk waarnam en of die waarneming bewust ontwikkeld kon worden.
Een wereld die ik eigenlijk al kende
Zo kwam ik bij CICO in Utrecht terecht, een instituut dat inmiddels niet meer bestaat. Ik verdiepte mij daar in intuïtieve ontwikkeling, aura's, chakra's en healing. Later vervolgde ik mijn ontwikkeling bij Mens en Intuïtie in Amersfoort en werd ik verder opgeleid in aura- en chakrareading.
Voor het eerst kreeg ik taal en methoden aangereikt voor ervaringen die voor mij niet nieuw waren, maar die ik tot dan toe nauwelijks had kunnen plaatsen. Je kon kennelijk leren onderscheiden tussen voelen, zien, weten, interpreteren en projecteren. Waarneming bleek iets wat je bewust kon ontwikkelen.
Ik vond dat geweldig. Het voelde dicht bij mijn ziel en tegelijkertijd liep ik ook daar al snel tegen grenzen aan. Binnen bepaalde opleidingen mocht je wel intuïtief waarnemen, maar contact met gidsen of overledenen hoorde daar nadrukkelijk niet bij. Alleen hield mijn waarneming zich niet altijd aan het lesprogramma.
Gidsen en overledenen kwamen soms gewoon. Daarmee kwam een oude vraag in een nieuwe vorm terug: wie bepaalt waar intuïtie ophoudt en mediumschap begint? Als iets zich tijdens een waarneming aandient, moet ik het dan negeren omdat een methode zegt dat het daar niet thuishoort, of moet ik onderzoeken wat er gebeurt?
Ik koos voor het laatste.
Studeren om te begrijpen
Vanaf dat moment begon een lange periode waarin ik mij zeer breed en intensief heb geschoold. Intuïtieve ontwikkeling, aura- en chakrareading, healing en verschillende vormen van mediumschap vormden een belangrijke basis, maar daarnaast verdiepte ik mij in hypnotherapie, Reiki tot masterniveau, coaching en persoonlijke ontwikkeling, lichaamsgericht en energetisch werk, trauma- en veranderingsmethodieken en later in quantumgerichte benaderingen en het werken met TimeWaver.
Sommige methoden zijn onderdeel geworden van mijn werk, andere heb ik weer losgelaten. Dat onderscheid vind ik belangrijk. Ik heb nooit gestudeerd om zoveel mogelijk technieken of diploma's te verzamelen, maar om te begrijpen wat er werkelijk gebeurt wanneer een mens verandert, waarneemt, heelt of zich bewust wordt van iets wat daarvoor buiten beeld lag.
Ik heb waarschijnlijk net zoveel geleerd van dingen waarvan ik uiteindelijk dacht dit is het niet als van de dingen waarmee ik nog steeds werk. Een opleiding hoeft voor mij niet mijn bestemming te worden om waardevol te zijn. Soms brengt iets je precies ver genoeg om een volgende vraag te kunnen stellen.
Het werk van Michael Newton was daarvan een voorbeeld. Zijn boeken, waaronder Journey of Souls, brachten mij bij zijn onderzoek naar mensen die tijdens hypnotherapiesessies steeds verder gingen en niet alleen ervaringen uit hun huidige leven beschreven, maar spraken over gidsen, zielen en een bestaan tussen levens.
Dat raakte aan iets wat ik zelf altijd had gevoeld. Voor mij was de missing link niet zozeer het idee dat er leven na de dood zou zijn. Die formulering voelde voor mij juist vreemd. Er is leven. Wij verschijnen hier als mens en verdwijnen als mens weer uit beeld, maar het leven zelf houdt daar voor mijn gevoel niet op.
Ik ging hypnotherapie studeren om dat verder te onderzoeken en ontdekte uiteindelijk dat hypnotherapie zelf niet mijn weg was. Dat vond ik niet erg. Ik had gevonden wat ik nodig had: een volgende deur.
In de loop der jaren ben ik daardoor geïnteresseerd gebleven in methoden zonder bijzonder trouw te worden aan één methode. Zodra een methode belangrijker wordt dan wat er werkelijk gebeurt, begin ik vragen te stellen. Veel systemen die als nieuw worden gepresenteerd blijken bovendien voort te bouwen op inzichten en technieken die in een andere vorm al veel langer bestaan. Dat maakt ze niet noodzakelijk minder bruikbaar, maar voor mij wel minder heilig.
Een methode is gereedschap. Geen waarheid.
Healing kwam naar mij toe
Reiki boeide mij om een andere reden. Het was toegankelijk. Healing werd niet gepresenteerd als een geheimzinnige gave die slechts aan een paar uitverkorenen was voorbehouden, maar als iets wat mensen konden leren en ontwikkelen. Daar hield ik van. Als iets werkelijk deel uitmaakt van onze menselijke of spirituele mogelijkheden, waarom zou het dan slechts voor een enkeling bestemd zijn?
Ik deed Reiki I en II en later het masterschap. Ondertussen werkte ik in een nogal rock-'n-roll boetiek en mensen begonnen mij te vragen wat ik eigenlijk deed. Blijkbaar vertelde ik erover of straalde ik iets uit, want vervolgens vroegen ze of ze een behandeling van mij konden krijgen.
Dat was nooit mijn plan geweest. Al die opleidingen waren in eerste instantie onderdeel van mijn eigen zoektocht. Ik had niet bedacht dat ik therapeut, healer of reader moest worden.
Toch begon ik behandelingen te geven en daar gebeurden soms opmerkelijke dingen. Een van mijn eerste cliënten had voeten van verschillende grootte en kreeg daardoor steeds meer lichamelijke klachten. Ik behandelde haar gedurende langere tijd met Reiki. In de loop van ongeveer anderhalf jaar constateerden we tot onze verbazing dat het verschil in voetmaat was verdwenen.
Wat daar precies gebeurde kan ik niet verklaren en ik presenteer het ook niet als bewijs voor wat Reiki wel of niet kan. Het was simpelweg een van die ervaringen waardoor mijn nieuwsgierigheid naar healing alleen maar groter werd.
Het woord ging rond en er kwamen steeds meer mensen. De kennis die ik inmiddels had opgebouwd vanuit reading, aura- en chakrahealing en verschillende lichaamsgerichte en energetische methoden begon zich in mijn praktijk vanzelf met elkaar te verbinden. Voor ik het wist had ik thuis een behandelruimte en een behoorlijk drukke praktijk.
En toen huurde ik ineens een gebouw
Op een dag liep ik in Hilversum naar de markt en kwam langs een pand dat ik nog kende uit mijn tijd als sociaal-cultureel werkster. Jaren daarvoor had de vrouwengroep waarmee ik werkte daar een eigen plek gekregen. Het pand zag er leeg uit en uit nieuwsgierigheid liep ik naar binnen, vooral omdat ik mij afvroeg waar die vrouwen gebleven waren.
Er was niemand meer en het gebouw bleek te huur te staan. Ik belde de eigenaar om te vragen wat er met de groep was gebeurd. Dat wist hij niet, maar hij vertelde wel dat het pand beschikbaar was, waarop ik mijzelf tot mijn eigen verbazing hoorde zeggen dat ik het wilde huren.
Het merkwaardige was dat ik op datzelfde moment precies wist waarom. Ik hoefde niet naar huis om weken na te denken over wat ik met zo'n groot pand met twee verdiepingen zou moeten doen. Ik wist dat ik daar een spiritueel centrum ging beginnen. Waar die zekerheid vandaan kwam kon ik niet uitleggen, maar over wat er moest gebeuren bestond geen enkele twijfel.
De eigenaar kwam nog diezelfde dag en begin augustus tekende ik voor het pand. Daarna ging het razendsnel. Ik belde mensen van wie ik vond dat ze werkelijk iets te brengen hadden, nodigde docenten en mediums uit, stelde een volledig programma samen en richtte het gebouw in. Binnen ongeveer drie weken stond er een compleet spiritueel centrum met trainingen, cursussen, behandelingen en avonden.
Op 9 september 1999 gingen de deuren open.
Het centrum heette aanvankelijk Bruja, een naam die voortkwam uit mijn liefde voor de Spaanse taal, die in die periode ook een belangrijke rol in mijn leven speelde. We begonnen onder andere met Reiki, Touch for Health, intuïtieve ontwikkeling en healing en al snel kwamen daar demonstraties mediumschap en open healingavonden bij.
Het waren andere tijden. Een spiritueel centrum was nog lang niet zo'n vanzelfsprekend begrip als tegenwoordig, maar er bleek een enorme behoefte aan te bestaan. Vanaf het begin kwamen de mensen en de trainingen liepen vol.
Ik denk dat juist de laagdrempeligheid een belangrijke rol speelde. Spiritualiteit hoefde voor mij niet plechtig, geheimzinnig of verheven te zijn. Mensen moesten kunnen binnenlopen, iets ervaren, vragen stellen, lachen en zelf ontdekken wat voor hen betekenis had. Het mocht serieus zijn zonder zwaar te worden en spiritueel zonder dat je daarvoor eerst een bepaalde overtuiging hoefde aan te nemen.
Op zoek naar mediumschap
Binnen Bruja organiseerde ik demonstraties met Nederlandse mediums. Ik vond die avonden prachtig, maar zat tegelijkertijd aandachtig te kijken naar wat er precies gebeurde. Wanneer psychometreert iemand? Wanneer leest iemand intuïtief informatie? En wanneer ontstaat er werkelijk een mediumistisch contact waarbij informatie specifiek gekoppeld kan worden aan een overleden persoon?
Ik wilde het verschil niet aannemen omdat iemand zichzelf medium noemde. Ik wilde het kunnen waarnemen en begrijpen.
Mijn belangstelling bracht mij bij het traditionele Engelse mediumschap en uiteindelijk bij het Arthur Findlay College in Stansted. Ik had de boeken van Arthur Findlay gelezen en mij uitgebreid in het mediumschap verdiept, maar lezen was uiteindelijk niet genoeg. Ik wilde zien wat daar gebeurde en het zelf ervaren.
Vlak voordat ik naar Engeland zou vertrekken werd ik aangereden en hield daar een forse whiplash aan over. Mijn auto was total loss en ikzelf voelde mij eerlijk gezegd ook niet bijzonder veel beter. Het centrum bestond pas een half jaar en moest ondertussen gewoon doorgaan. Iemand was zo geweldig om zich min of meer als mijn secretaresse op te werpen, waardoor ik les kon blijven geven en het centrum kon blijven functioneren, maar naar Engeland gaan zat er op dat moment niet in.
Vrienden gingen een maand later naar Stansted en stelden voor dat ik met hen meeging, zodat zij een beetje op mij konden letten. Ik boekte mijn training om en ging alsnog.
In de maanden daarvoor was er iets merkwaardigs gebeurd. Tijdens een afspraakje vroeg ik een man waar hij vandaan kwam. Hij antwoordde Hengelo en ik verstond Engeland. Mijn onmiddellijke gedachte was: dat is hem. Geen idee wie hem was en de man kwam bovendien gewoon uit Hengelo, dus veel kon ik er op dat moment niet mee.
Een maand later liep ik in Stansted Hall de eetzaal binnen. Iedereen was al druk aan het eten en er was nog één stoel vrij. Ik ging zitten en tegenover mij zat een man van wie ik eigenlijk alleen de ogen zag. Ik viel voor mijn gevoel in een oneindige diepte.
Dat was Mark.
Een weekend dat 26 jaar duurde
Er was onmiddellijk een vreemde herkenning tussen ons. Mark bood aan healing te geven voor mijn whiplash en aan het einde van de week vertelde ik hem dat enkele tutors van wie we op dat moment les kregen naar mijn centrum in Nederland zouden komen. Ik organiseerde daar bewust kleinere groepen dan in Stansted, zodat mensen veel intensiever met de tutors konden werken.
Als hij wilde, kon hij meekomen. Dat deed hij.
Mark kwam met een van de trainers naar Nederland, werd bij mij thuis ondergebracht en heeft de eerste nacht keurig op de logeerkamer geslapen. Het weekend waarvoor hij overkwam duurt inmiddels meer dan 26 jaar.
Op de een of andere manier klopte het onmiddellijk dat Mark in het centrum was. Hij was opgeleid in spiritual healing en had jarenlang gewerkt aan trance mediumship. Ik had mij juist sterk ontwikkeld in intuïtieve waarneming, aura- en chakrareading en mental mediumship. Onze achtergronden verschilden, maar sloten wonderlijk goed op elkaar aan.
Kort nadat Mark naar Nederland kwam, zei ik dat ik een week naar Griekenland wilde en vroeg of hij meeging. Dat wilde hij wel, alleen had hij geen geld. Mijn reactie was tamelijk praktisch: dan moest hij werken.
We gaven een demonstratie mediumschap en ik vertelde aan het einde van de avond dat Mark een Engelse spiritual healer was en dat mensen een healing bij hem konden boeken. Vervolgens stond er een rij en zat zijn agenda vrijwel onmiddellijk vol.
Niet lang daarna vertelde ik hem dat hij les moest gaan geven. Mark vond dat een nogal merkwaardig idee omdat hij nog nooit les had gegeven, maar schreef vervolgens een programma voor spiritual healing. We namen het op in ons programmaboekje en een maand later begon hij. De trainingen zaten vol.
Van Bruja naar Nimis – Centre of Light
Zo ontwikkelden we steeds meer samen. Marks spiritual healing verdiepte zich richting trance healing en hij bracht trance mediumship in het programma. Ik werkte met intuïtieve ontwikkeling, reading en mental mediumship en samen raakten we ook steeds intensiever betrokken bij physical mediumship.
We werkten jarenlang met physical medium Jean Skinner en bleven veel tutors en mediums uit Engeland uitnodigen, van wie sommigen dagen of weken bij ons verbleven en lesgaven.
Na ongeveer een half jaar kwam vanuit de spirituele wereld de naam Nimis naar voren, samen met Centre of Light.
NIMIS stond voor Nederlands Instituut voor Mediumschap, Intuïtieve Ontwikkeling en Spiritual Healing. Ik maakte het oorspronkelijke ontwerp voor het logo met de kleuren van de regenboog, de diamanten, de ster en het symbool van oneindigheid, waarna een bevriende designer van Mark het professioneel uitwerkte.
Voor mij zat er echter nog een diepere betekenis in Centre of Light, want daarmee kwam dat lichtje uit mijn jeugd onverwacht weer terug. Het licht waarvan ik als kind al wist dat het niet iets was wat ik bezat, maar iets wat ik was, werd nu de kern van een centrum waarin mensen hun eigen licht konden leren herkennen. Niet het licht van een leraar, een religie of een methode die voorschrijft hoe jouw werkelijkheid eruit moet zien, maar datgene wat in jezelf aanwezig is.
Er was bovendien iets waarin Mark en ik sterk op elkaar leken. Ook hij wilde niet verteld worden wat hij moest ervaren. Hij wilde zelf ervaren, onderzoeken en vervolgens proberen te begrijpen wat er gebeurde.
Dat werd uiteindelijk een belangrijk uitgangspunt van hoe wij samen gingen lesgeven.
De leraar die je niet vertelt wat jouw werkelijkheid is
Nimis groeide uit tot een groot centrum met veel docenten, healers en vrijwel dagelijks activiteiten. We werkten met intuïtieve ontwikkeling, reading, healing, mental mediumship, trance mediumship, trance healing en physical mediumship. Het waren intensieve jaren waarin ontzettend veel werd geleerd, ontwikkeld en uitgeprobeerd.
Na ongeveer vijftien jaar merkte ik echter dat ik steeds meer coördinator was geworden van een organisatie die voortdurend moest draaien. Ik was bezig met programma's, docenten, ruimtes en alles wat ervoor nodig was om een groot centrum goed te laten functioneren, terwijl mijn eigenlijke plezier juist lag in het directe contact met mensen, in lesgeven, waarnemen, creëren en ontwikkelen.
Ik zei tegen Mark dat ik vond dat we kleiner moesten worden. Niet omdat ik minder wilde doen, maar omdat ik dieper wilde gaan. We namen afscheid van het grote pand en van het werken met zoveel externe docenten en brachten Nimis steeds meer terug naar de gebieden die voor ons werkelijk de kern vormden: bewustzijn, healing, mediumschap en de ontwikkeling en ervaring van de ziel.
Ook onze manier van lesgeven werd steeds duidelijker. Natuurlijk dragen we kennis over. Na tientallen jaren ervaring zou het nogal merkwaardig zijn als we niets te vertellen hadden. We leren technieken, geven oefeningen, corrigeren waar dat nodig is en helpen mensen hun waarneming en onderscheidingsvermogen te ontwikkelen.
Maar we willen een leerling niet vertellen wat hij of zij moet ervaren.
Daarmee zouden we uiteindelijk precies hetzelfde doen als de volwassenen over wie ik mij als kind zo verbaasde.
Ik heb mijn hele leven leraren gezocht en ontzettend veel van hen geleerd, dus mijn bezwaar zit niet in onderwijs of kennis. Integendeel. Een goede leraar kan je jaren zoeken besparen. Maar een goede leraar hoeft zijn werkelijkheid niet in de plaats van die van zijn leerling te zetten. Hij kan vertellen wat hij weet, laten zien wat hij kan, vragen stellen, corrigeren en uitdagen, maar uiteindelijk moet je zelf leren kijken.
Dat is ook hoe Mark en ik binnen Nimis willen werken. Wij onderwijzen niet welke werkelijkheid iemand moet aannemen. We leren mensen ervaren, waarnemen, onderzoeken en zelf onderscheid maken.
En toen begon ik te tekenen
Toen we Nimis kleiner maakten ontstond er iets wat ik jarenlang nauwelijks had gehad: vrije tijd.
Mark had mij door de jaren heen pastelkrijt, verf, ecoline en allerlei andere materialen gegeven, die zich inmiddels ongebruikt in kasten begonnen op te stapelen. Uiteindelijk kreeg ik voor mijn verjaardag een prachtige ezel en toen vond ik dat ik moeilijk nog kon volhouden dat ik ooit zou gaan tekenen of schilderen.
Ik moest het maar eens doen. Op een avond zat Mark in de kamer naast mij achter zijn computer en plakte ik een groot vel papier op de ezel. Ik begon met pastel zonder enig idee wat ik aan het maken was. Ik vond vooral het materiaal heerlijk: kleuren mengen, vegen, knijpen en dat vettige pastel onder mijn vingers. Ik raakte volledig in een soort flow totdat Mark binnenkwam, naar mijn papier keek en schrok. “That's my dead friend Andy.” Omdat ik medium ben, keek ik onmiddellijk om me heen. Ik zag helemaal geen Andy. Mark bedoelde de tekening.Dat vond ik eerlijk gezegd nogal onwaarschijnlijk, want ik zag geen portret. Ik zag poeder en kleuren en vond vooral dat ik lekker bezig was, dus ik stuurde hem de kamer weer uit.
Bij een tweede tekening gebeurde ongeveer hetzelfde. Weer zag Mark een overleden vriend. De volgende dag haalde hij foto's uit een nog niet uitgepakte doos en legde ze naast mijn tekeningen. En verrek. Er stonden inderdaad gezichten. Niet bijzonder goede gezichten, maar wel gezichten, en ik kon ook herkennen waarom Mark onmiddellijk wist wie het waren.
Niet veel later kwam een vrouw voor een mediumsessie. Mijn map met die eerste tekeningen lag onder de bank en zij zei dat ze het gevoel had dat er iets van haar in de kamer lag. Ik kende haar niet en vond dat dus nogal sterk. Uiteindelijk wees ze naar de map, vroeg of ze erin mocht kijken en bladerde door mijn tekeningen totdat ze bij een portret stopte en vol schoot. Het was haar oma. De sessie ging vervolgens over in een prachtig mediumcontact met die oma, waarvoor ze mij later nog vaak heeft bedankt.
Blijkbaar was ik begonnen met psychic art.
Mijn reactie daarop was tamelijk praktisch: als ik dan kennelijk portretten ging tekenen, moest ik maar eens leren hoe je een goed portret tekent.
Schilderen is leren kijken
Ik ging naar de Gooische Academie voor beeldende Kunsten en volgde intensief portret-, figuur- en modeltekenen, soms drie of vier keer per week. Daarna volgde ik jarenlang schilderlessen bij verschillende docenten en verdiepte mij steeds verder in het vak.
Ik leerde anatomie, compositie, vorm, kleur en licht, verdiepte mij in klassieke schildertechnieken en ontdekte dat olieverf het materiaal was waarin ik mij werkelijk thuis voelde.
Ook hierin wilde ik niet alleen een kunstje leren. Ik wilde begrijpen waarom iets werkte en vooral leren kijken.
Een docent bij wie ik ongeveer een jaar schilderles had, vroeg mij op een gegeven moment of ik bij hem wilde exposeren. Ik was daar werkelijk door overdonderd. Ik had zelf nog nauwelijks besloten dat ik misschien kon schilderen en iemand anders vond mijn werk kennelijk al goed genoeg om tentoon te stellen.
Uit die eerste tentoonstelling kwamen verkopen en opdrachten voort. Later werd een portret van mijn oma geselecteerd voor een tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag en werd mijn complete circusserie in één keer door een verzamelaar gekocht.
Ondertussen bleef ik leren.
Tijdens een schilderles zei iemand eens dat ze niet wist wat ze moest schilderen. Mijn docente keek haar vol verbazing aan en zei:
“Maar alles is onderwerp.”
Die drie woorden zijn mij altijd bijgebleven, misschien omdat ik langzaam begon te begrijpen dat ze over veel meer gingen dan schilderen.
Alles is onderwerp
Wanneer je een oog schildert, moet je op een gegeven moment ophouden met het schilderen van jouw idee van een oog. Je moet kijken naar wat er werkelijk voor je staat: vorm, kleur, licht, donker, reflectie en al die kleine verschuivingen die verdwijnen zodra je denkt dat je al weet wat je ziet.
Het idee dat je weet hoe een oog eruitziet, kan het werkelijke kijken behoorlijk in de weg zitten.
Daarin herkende ik mijn hele eerdere ontwikkeling.
Een reader moet eveneens leren onderscheiden tussen wat zij werkelijk waarneemt en wat zij denkt dat die waarneming betekent. Een medium moet leren herkennen waar eigen gedachten, verwachtingen en emoties een rol spelen. Een kunstenaar moet voorbij het symbool leren kijken naar wat er werkelijk aanwezig is. En iemand die zichzelf onderzoekt zal vroeg of laat dezelfde ongemakkelijke vraag moeten stellen: zie ik werkelijk wat er is, of zie ik vooral wat ik al dacht dat er was?
Misschien is dat zelfs dezelfde vraag die ik als kind stelde toen volwassenen mij vertelden hoe God, de wereld en ikzelf in elkaar hoorden te zitten. Het idee van wat iets zou moeten zijn, kan het zien van wat er werkelijk is behoorlijk in de weg staan.
Geen gave, maar ontwikkeling
Tijdens mijn schilderontwikkeling leerde ik nog iets wat sterk aansloot bij mijn spirituele werk. Een docente zei dat schilderen geen gave is; je leert schilderen door te schilderen.
Natuurlijk heeft de een meer aanleg dan de ander, maar vakmanschap ontstaat door kijken, oefenen, fouten maken, opnieuw beginnen en het nog een keer doen.
Dat vond ik bevrijdend, omdat over mediumschap, intuïtie, healing en kunst gemakkelijk wordt gesproken alsof iemand een bijzondere gave heeft gekregen.
Zo ervaar ik mijn eigen ontwikkeling niet.
Er was ongetwijfeld aanleg en er was vanaf mijn jeugd een gevoeligheid die ik niet kon verklaren, maar daarna begon het werk pas.
Wat ik nu kan als kunstenaar, medium, reader en docent is mij niet komen aanwaaien. Ik heb er tientallen jaren voor gestudeerd en gewerkt. Ik heb opleidingen gevolgd, gelezen, geoefend, fouten gemaakt, ideeën omarmd en later weer losgelaten, les gekregen en lesgegeven. Ik ben blijven kijken naar mensen die meer konden of iets anders konden dan ik en heb geprobeerd te begrijpen wat zij deden.
Soms nam ik iets mee en soms kwam ik tot de conclusie dat het niets voor mij was.
Aanleg kan een begin zijn, maar het is geen eindpunt. Dat geldt voor schilderen net zo goed als voor intuïtieve ontwikkeling, healing of mediumschap. Daarom zeg ik ook tegen mijn leerlingen dat wanneer ik iets heb kunnen leren, zij het in principe eveneens kunnen leren. Niet omdat iedereen uiteindelijk hetzelfde moet kunnen of hetzelfde zal ervaren, maar omdat waarneming, techniek en onderscheidingsvermogen ontwikkeld kunnen worden.
Van psychic art naar schilderdocent
De vraag naar schilderlessen ontstond eigenlijk op dezelfde natuurlijke manier als eerder de vraag naar healing en mediumschap.
Mensen stonden voor mijn schilderijen, zagen de gelaagdheid en wilden weten hoe ik dat deed. Eerst gaf ik lessen in psychic art en het schilderen van gidsenportretten, later ook in realistisch portret- en modelschilderen.
De klassieke technieken van de oude meesters, het werken in lagen en glacis en de aandacht voor licht, huid en transparantie werden steeds belangrijker in mijn werk en onderwijs. Die technische gelaagdheid interesseert mij omdat zij ook inhoudelijk iets mogelijk maakt. Een portret hoeft voor mij niet op te houden bij de zichtbare buitenkant van een mens. Door lagen over elkaar heen te zetten kan er letterlijk én figuurlijk iets door het beeld heen gaan schijnen.
Mensen vragen mij soms: Kun je mij leren wat jij kunt?
Mijn antwoord is in essentie nog steeds hetzelfde.
Als ik het kan leren, kun jij het ook leren.
Niet door mij na te doen, maar door te leren kijken, waarnemen, techniek te ontwikkelen, nieuwsgierig te blijven en uiteindelijk een beeldtaal te vinden die van jou is.
Schrijven als een andere manier van kijken
Schrijven liep ondertussen bijna ongemerkt als een ander spoor door mijn leven.
Eigenlijk schreef ik altijd al. Eerst in dagboeken, later steeds bewuster in de vorm van journaling. Papier was voor mij een plaats waar een gedachte niet onmiddellijk af hoefde te zijn. Ik kon haar volgen, eromheen lopen, haar tegenspreken en soms ontdekken dat achter de eerste gedachte een heel andere vraag verborgen zat.
Ook daar begon de grens tussen mijn intellectuele en spirituele ontwikkeling steeds minder duidelijk te worden. Vanuit het mediumschap ontstond het schrijven met spirits en ontdekte ik dat dezelfde verbinding die tijdens een reading als beeld, gevoel of innerlijk weten kan verschijnen, zich ook in woorden kan uitdrukken.
Schrijven werd daardoor niet alleen een manier om vast te leggen wat ik al wist, maar een manier om te ontdekken wat ik wist.
Dat proces speelt nu een steeds grotere rol. Ik schrijf artikelen voor de Nimis Bibliotheek, waarin ik onderwerpen uit mediumschap, spiritualiteit, kunst, waarneming, bewustzijn en de ziel verder onderzoek, en inmiddels werk ik aan twee manuscripten.
Ook daarin wil ik niet simpelweg herhalen wat ik ooit heb geleerd. Juist tijdens het schrijven ontstaan nieuwe verbanden. Een ervaring van jaren geleden kan zich ineens verbinden met iets wat ik gisteren begreep en vervolgens een vraag oproepen die mij weer ergens anders brengt.
Misschien lijken schrijven en schilderen daarom voor mij meer op elkaar dan ik vroeger zou hebben gedacht. Een leeg doek en een leeg vel papier vragen allebei dat ik begin. Natuurlijk heb ik kennis en techniek nodig om iets vorm te kunnen geven, maar ik wil niet alles vooraf bepalen. Als ik bij de eerste zin al precies weet wat de laatste moet worden, blijft er weinig ruimte over om onderweg iets te ontdekken.
Meer dan wat je ziet
In mijn eigen kunst ben ik steeds meer gaan onderzoeken hoe ver je voorbij de zichtbare buitenkant van een mens kunt komen.
Een mens is tenslotte nooit alleen het gezicht dat voor je zit. Er is een lichaam, een geschiedenis, herinnering, emotie en identiteit en voor mij zijn er daarnaast spirit, bewustzijn en ziel.
Dat onderzoek is steeds zichtbaarder geworden in mijn schilderijen. In mijn Hybrids bijvoorbeeld verbind ik menselijke en dierlijke vormen en onderzoek ik de beelden die overal ter wereld terugkomen in sprookjes, sagen, mythen en legenden.
Waarom herkennen we bepaalde wezens en vormen terwijl we ze misschien nooit werkelijk hebben gezien? Waarom kan iemand voor een schilderij staan en diep geraakt worden door iets wat hij rationeel niet kan verklaren? Zijn wij werkelijk begrensd tot deze ene zichtbare vorm, of zijn wij veel gelaagder en misschien zelfs multidimensionaler dan het dagelijkse beeld dat we van onszelf hebben?
Ik heb daar na al die jaren natuurlijk mijn ervaringen en overtuigingen over, maar ik heb steeds minder behoefte om iedere vraag onmiddellijk dicht te zetten met een antwoord.
Niet-weten kan een bijzonder interessante plaats zijn om te beginnen.
Mijn vertrouwen in mijn waarneming is door de jaren heen groot geworden, maar mijn respect voor de beperkingen ervan misschien nog wel groter. Waarnemen is niet hetzelfde als weten. Een waarneming opent iets. Daarna begint het onderzoek.
Daarmee zijn kunst, schrijven en mediumschap voor mij steeds minder afzonderlijke werelden geworden. In alle drie gaat het om kijken, waarnemen, ruimte maken voor iets wat je nog niet kent en voldoende vakmanschap ontwikkelen om er vervolgens vorm aan te kunnen geven.

Het kleine universum en het geheel
Als ik mijn leven nu overzie, zie ik steeds minder afzonderlijke beroepen of disciplines. Natuurlijk kan ik zeggen dat ik kunstenaar, medium, reader, schrijver en docent ben, en praktisch gezien is dat ook zo. Maar voor mijzelf voelt die opdeling steeds kunstmatiger. Het zijn verschillende manieren waarop iets van mij tot uitdrukking komt.
Mijn intellectuele kant wil onderzoeken, lezen, verbanden leggen en begrijpen. Mijn spirituele kant wil waarnemen wat niet onmiddellijk zichtbaar is en onderzoeken wat bewustzijn, spirit en ziel betekenen. Mijn creatieve kant wil daar een vorm voor vinden. Soms gebeurt dat in een schilderij, soms in een auragraph of assemblage, soms tijdens een reading of een les en soms in taal: een artikel voor de Nimis Bibliotheek, een stuk in mijn dagboek of een hoofdstuk van een boek.
Het ene is voor mij niet minder wezenlijk dan het andere. Ik hoef niet te kiezen tussen intellectueel en intuïtief, tussen kunstenaar en medium, tussen schrijver en docent. Juist al die aspecten samen maken mij tot een geheel.
Misschien is dat ook waarom die eenvoudige uitspraak van mijn schilderdocente zoveel indruk op mij maakte: alles is onderwerp. In eerste instantie begreep ik dat letterlijk. Natuurlijk is alles onderwerp wanneer je schildert en werkelijk leert kijken. Een gezicht, een hand, een hond, een stuk stof, een schaduw op de muur of het licht dat door een glas valt.
Maar gaandeweg kreeg die uitspraak een veel grotere betekenis. Ook een gedachte is onderwerp. Een herinnering is onderwerp. Een emotie, een mens, een ziel, een spirituele ervaring, een overtuiging en zelfs iets waarvan ik nog helemaal niet weet wat het is, kunnen onderwerp van onderzoek worden.
En hetzelfde onderwerp kan verschillende vormen aannemen. Iets wat ik tijdens een reading waarneem kan jaren later terugkomen in een schilderij. Een gedachte die tijdens het schilderen ontstaat kan het begin worden van een artikel. Een ervaring met de spirituele wereld kan tijdens een les ineens begrijpelijker worden doordat een leerling een vraag stelt die ik mijzelf nog nooit had gesteld. Een gevonden voorwerp kan onderdeel worden van een assemblage en daarin iets zichtbaar maken waarvoor ik met woorden misschien nooit een goede formulering had gevonden.
Op dit moment zie ik dat heel duidelijk gebeuren. Er ontstaan nieuwe auragraphs waarin waarneming, kleur, symboliek en energie samenkomen. Daarnaast maak ik Wonderlust-objecten, assemblages waarin gevonden voorwerpen, materiaal, herinnering, verbeelding en betekenis zich op een andere manier met elkaar verbinden. Tegelijkertijd schrijf ik artikelen en boeken, schilder ik, geef ik les en werk ik als medium.
Ik weet niet welke van die richtingen uiteindelijk belangrijker zal worden. Misschien is dat inmiddels ook niet meer de juiste vraag. Het lijkt eerder alsof ze elkaar nodig hebben.
Oneness zonder jezelf te verliezen
Het intellectuele hoeft het spirituele niet uit te sluiten en het spirituele hoeft niet tegenover het aardse te staan. Techniek en intuïtie kunnen elkaar versterken, net zoals woorden en beelden dat kunnen.
Schilderen, schrijven, assemblagekunst, mediumschap, healing en doceren zijn voor mij verschillende talen geworden waarmee ik dezelfde werkelijkheid probeer te onderzoeken en waarmee verschillende aspecten van mijzelf zich kunnen uitdrukken.
En misschien geldt dat niet alleen voor mij.
Wij delen onszelf voortdurend op om onszelf begrijpelijk te maken. We spreken over lichaam, denken, emoties, persoonlijkheid, spirit en ziel alsof het afzonderlijke kamers zijn, terwijl ze tegelijkertijd deel uitmaken van één mens. Onze interesses, talenten, herinneringen, relaties en ervaringen beïnvloeden elkaar voortdurend en vormen samen het geheel dat wij op dit moment zijn.
Ik zie ieder mens steeds meer als een klein universum op zichzelf, opgebouwd uit ontelbare delen die alleen in hun samenhang werkelijk begrepen kunnen worden. Maar ook dat kleine universum bestaat niet geïsoleerd. Wij maken deel uit van andere mensen, van relaties en generaties, van de aarde en de natuur en voor mij ook van spirit, ziel en een veel groter bewustzijn.
Misschien is dat wat ik met Oneness bedoel. Niet dat onze individualiteit moet verdwijnen en wij allemaal hetzelfde worden. Integendeel. Juist onze individualiteit kan een unieke uitdrukking zijn van het geheel.
Zoals mijn intellectuele, spirituele en creatieve kanten niet hoeven te verdwijnen om één Margreet te kunnen zijn, hoeft het individuele niet te verdwijnen om onderdeel van Oneness te kunnen zijn.
Daarmee krijgt ook dat lichtje uit mijn jeugd voor mij een andere betekenis. Als kind dacht ik dat ik het moest beschermen, omdat ik bang was dat de buitenwereld het zou kunnen uitblazen. Nu denk ik eerder dat het zich wil verbinden. Niet om zichzelf daarin kwijt te raken, maar juist om vollediger tot uitdrukking te kunnen komen en tegelijkertijd deel te zijn van iets wat veel groter is dan ikzelf.
Misschien is dat uiteindelijk ook wat ik probeer te doen in mijn werk en in mijn leven: kijken, ervaren, onderzoeken, leren en vervolgens verbinden. Niet om tot één definitief antwoord te komen, maar om steeds iets meer van het geheel te kunnen zien.
Waar mijn volgende stap ligt, weet ik werkelijk niet. Op dit moment ontstaan er schilderijen, auragraphs en Wonderlust-objecten, schrijf ik voor de Nimis Bibliotheek en werk ik aan twee boeken. Ik geef les, werk als medium en blijf onderzoeken. Misschien ontstaat er morgen iets waarvoor ik nog geen naam heb.
Dat lijkt mij geen probleem. Na al die jaren vind ik het niet-weten een buitengewoon interessante plek om te zijn.
Want als alles onderwerp is, kan ook alles met elkaar in verbinding komen. En misschien ontdekken we juist in die verbinding dat al die afzonderlijke delen nooit werkelijk los van elkaar hebben bestaan.
Dat onderzoek is voor mij nog lang niet klaar. Gelukkig maar.
Over de auteur
Margreet Blaas is beeldend kunstenaar, medium, reader, schrijver en docent en medeoprichter van Nimis – Centre of Light. Sinds 1999 begeleidt zij mensen in de ontwikkeling van intuïtieve waarneming, mediumschap, healing en bewustzijn.
Voor de Nimis Bibliotheek schrijft zij over kunst, waarneming, mediumschap, bewustzijn en de ziel. In zowel haar kunst als haar onderwijs staat één uitgangspunt centraal: werkelijk leren kijken begint niet bij het aannemen van de werkelijkheid van een ander, maar bij het ontwikkelen van je eigen waarneming en onderscheidingsvermogen.