De aanraking van de aluminium dop op de glazen fles wierp mij terug in de tijd. Ik voelde mij vallen, van hoog naar laag, van groot naar klein.

En plotseling zaten de breteltjes weer op mijn schouders. Ze hielden mijn maillotje omhoog.

‘Spillepoot,’ noemde ze mij. Op het consultatiebureau vonden ze mij te licht.

‘Margreetje Prop,’ zei mijn moeder spottend als ik weer stil met een half vol glas melk voor mij aan tafel zat.

‘Drie glazen!’ schalde Joris Driepinter over de radio. ‘Melk omdat het moet. Melk doet goed.’

Ik wierp een vertwijfelde blik op mijn moeder. Zag ze het nou echt niet? Zij vulde mijn glas weer bij. Ik werd iedere keer misselijk van melk. Had het gevoel dat ik mij niet meer kon bewegen, zo vol zat ik ervan.

Propvol.

’s Avonds nog een keer, maar dan vermomd als chocolademelk. Mijn tante werkte bij Bensdorp, vandaar.

’s Avonds lag ik misselijk in bed en droomde van de Melkbrigade, gelanceerd door de zuivelindustrie. Een propaganda-evenement waar een gemiddelde dictator nog iets van had kunnen leren.

Kinderen marcheerden door de straten in witte petjes, zwaaiend met vlaggen.

‘Met melk meer mans!’

‘Melk is goed voor elk!’

Fanfaremuziek vulde de lucht terwijl de stoet kinderen door de stad trok, hun gezichten glimmend van trots.

Ik droomde mij ertussen. Nog geen vijf jaar oud, breteltjes over mijn schouders, een spandoek in mijn handjes.

‘Met melk meer mans!’

En thuis wachtte na mijn ontwaken weer het volgende glas.