Een vuile verrader
De lagere school was iets waar ik allang van droomde. Je leerde er lezen en schrijven, en dat was eigenlijk het enige wat ik belangrijk vond. Het zou mijn wereld ontsluiten en me toegang geven tot alle verhalen van de wereld.
Terwijl andere kinderen zenuwachtig of angstig waren voor hun eerste schooldag, voelde ik alleen een nieuwsgierige blijdschap. Het leven zou nu echt pas gaan beginnen. Ik ging de grote wereld in.
We werden in schoolbankjes gezet waar de inktpotjes nog inzaten, niet dat wij die gingen gebruiken. Wij mochten met potlood leren schrijven, zodat gemaakte fouten weer konden verdwijnen met een gum.
Meteen werd er een afschuwelijk verhaal rond gefluisterd over een jongetje dat het haar van een meisje in het inktpotje had gedaan en het dichtgeschoven had. Het potje ging niet meer open. Het haar van het meisje zat vast en ze kon alleen worden bevrijd door haar lange haar af te knippen.
Wij meisjes gruwelden. We hadden allemaal lang haar en we zaten voor het eerst met echte jongens in de klas. De spanning zat er meteen in.
Binnen kwam moeder overste, met naast haar een nogal streng uitziende non. Ze stelde haar voor en zei dat deze zuster onze juf zou zijn. Zodra moeder overste de klas had verlaten, verstrakte er iets in de houding van de non en klemden haar kaken zich op elkaar.
‘Knielen!’ riep de non.
Ik knielde niet.
‘Wat doe je? Je denkt misschien dat je slim bent,’ siste ze. ‘Maar God ziet alles, meisje. Alles.’
Mijn maag draaide zich om, maar ik weigerde te bewegen. De stilte was hard en ongemakkelijk. Toch bleef ik staan, niet uit moed, maar omdat ik geen woorden vond om mijn verzet uit te leggen.
God, daar had ik nog een appeltje of wat mee te schillen.
Elke keer als ik iets deed wat misschien slecht was volgens mijn moeder, vertelde God dat aan haar. Ze had het me al op vierjarige leeftijd verteld:
‘Margreet, ik zie best dat jij ondeugend bent. Mama ziet alles hoor!’
‘Dat kan nooit, je bent Jezus niet.’
Maar mijn moeder wist alles. Zij was alwetend. En hoe dat kwam? Omdat mijn moeder een treetje hoger ging, van Jezus naar de almachtige God.
‘God geeft moeders ogen van voren en van achteren,’ vertelde ze me, ‘zodat ze alles wat kinderen doen kan zien.’
Ik was weer eens buiten op straat gezet, op de koude, ijzeren vuilnisbak, met mijn nog bijna volle bord op schoot. Daarop lag bloedworst, glanzend en donkerrood.
‘Christus’ bloed,’ schoot door mijn hoofd.
Mijn moeder had een keer gezegd dat de wijn in de kerk veranderde in het bloed van Jezus, en ineens leek het me niet zo vergezocht dat dit bord bloedworst misschien iets soortgelijks was. Wat als ik niet gewoon eten weigerde, maar iets heiligs?
De worst werd er niet minder afschrikwekkend op, en zeker niet eetbaarder.
In het steegje huisde ook een grote, verwaarloosde herdershond, die naast mij ging staan met hongerige ogen. Ik brak een stukje van de worst af en liet het naar beneden vallen. Hij at het op zonder aarzeling.
‘Margreet!’
Mijn hart sloeg een slag over.
Hoe kon ze me hebben gezien? Ik zat buiten het zicht van de keuken, verborgen achter de vuilnisbak.
Maar als God echt alles zag, zoals mijn moeder zei, wist Hij dan ook wat ik deed? Schreef Hij ergens op: ‘Heeft bloedworst gegeven aan een zwerfhond op de vuilnisbak’?
Een oude man in de hemel die alles zag en alles vertelde aan mijn moeder?
Hoe kon iemand zoiets doen?
Ik voelde me verraden door een God die alles zag, maar me nooit hielp. Hij verlinkte me alleen maar.
Misschien was Hij helemaal geen God, maar een verklikker.
Een vuile verrader.
Dus ik weigerde te knielen naast het schoolbankje, te buigen voor God en te bidden. Ik dacht niet dat het allemaal zo bedoeld was, kleine meisjes verraden aan een God die alleen maar straft en nooit beloont.
Nou ja, je werd misschien wel beloond als je je goed gedroeg, als een ‘net meisje’ zoals je moeder dat wilde.
Doodeng.
Ik weigerde eraan mee te doen.
Mijn resolute weigering zorgde ervoor dat ik naar de gang werd gestuurd. Daar, tussen de kapstokhaakjes op een bankje, wachtte ik op de toorn van God die via mijn moeder op mij af zou stormen.
Mijn hart bonkte in mijn keel.
Razend van witte woede kwam ze de gang binnen, pakte mij bij mijn nek en sleurde mij het kantoor van moeder overste in.
Ik zei niets.
Mijn moeder en de non praatten over gedrag, vlijt, beleefdheid, netheid, godsdienst en discipline. Alle zaken die bovenaan stonden in het schoolrapport, boven lezen, schrijven, rekenen en Nederlandse taal – de dingen waar ik echt voor was gekomen.
Na een heleboel gepraat over nette meisjes en discipline werd ik op mijn allereerste schooldag naar huis gestuurd.
Ik was naar school gegaan om te leren lezen en schrijven.
Mijn eerste les ging over leren buigen.