Hij sprong op en neer voor haar rolstoel.

‘Kun jij niet lopen?’

‘Niet echt,’ zei mijn nichtje.

Hij stuiterde een rondje om haar stoel.

‘Maar als iemand je nou aanvalt en met een mes op je afkomt, dan kun je wel opstaan en weglopen.’

‘Nou,’ begon mijn nichtje, ‘ik kan niet echt lopen.’

‘En als je nou moet plassen? Dan kun je echt wel lopen als je wilt.’

‘Nou…’ mompelde mijn nichtje tevergeefs.

‘En als er brand is, kun je dan lopen? Volgens mij kun je dan wel lopen.’

‘Nou,’ zei mijn nichtje, ‘ik heb dus cerebrale parese en—’

‘Ja maar,’ ging hij bezwerend verder, ‘als er vannacht nou brand is en jij moet het huis uit, dan kun jij echt wel lopen hoor.’