
‘Een televisie, nog wel?’ vroeg mijn moeder. ‘Wat denk je wel niet dat zoiets kost?’
De wereld buiten veranderde, maar bij ons thuis leek alles nog hetzelfde te blijven. Terwijl de Beatles hysterie veroorzaakten en de eerste mensen zich voorbereidden om naar de maan te gaan, draaide mijn moeder zich om van de radio en veegde het aanrecht schoon. We hadden net de toto-uitslagen gehoord. Mijn vader zat aan tafel met zijn pen de nummers af te strepen. Ik vroeg netjes om een televisie, maar voelde mij toch brutaal. Hij knikte afwezig en mompelde iets wat klonk als instemming, maar waarschijnlijk meer een tactische stilte was.
Mijn tante, de jongere zus van mijn moeder, had allang een tv. Elke woensdagmiddag mochten de andere kinderen uit de buurt en ik voor 25 cent komen om naar Rikkie en Slingertje te kijken. De Toverdoos noemden ze het programma, en terecht. Het scherm flikkerde, de beelden bewogen en de wereld leek groter te worden. Voor mij was dat een glimp van iets groters, een andere wereld. Mijn nichtje werd straalverliefd op Gompie.
Uiteindelijk kregen wij ook een tv. ‘Nu kunnen we tenminste voetbal kijken,’ zei mijn vader, alsof dat de enige reden was om het apparaat aan te schaffen.
Voetbal was het enige wat mijn vaders aandacht écht vasthield. Zodra hij een bal zag rollen, gebeurde er iets in hem. We mochten niet praten, niet heen en weer lopen. Stilzitten, dat was de regel. We zaten als muizen in de kamer, fluisterstil. Zelfs een klein geluid kon hem woedend maken en er volgde dan een luid gesis van mijn moeder. Langs het beeld lopen was ten strengste verboden. Dan kon je meteen doorlopen naar je kamer.
De televisie bracht spanning en plezier. Pipo de Clown en Mamalou werden een vast onderdeel van ons dagelijks leven, maar voor mij had Pipo iets engs. Zijn overdreven vrolijkheid — het voelde nep. Ik voelde me meer verbonden met Mamalou, met haar zigeunerwagen en haar vrijgevochten leven. Voor mij hoorde ze thuis in het circus. Zigeuners en het circus, dat waren synoniemen voor vrijheid en anders zijn. Logisch, vond ik.
Mijn moeder dacht daar anders over. Als ze boos was, noemde ze me een ‘zigeunerkind’, met diezelfde scherpe toon die ze gebruikte als ze zei dat ik een last was. ‘Zigeuners stelen en bedriegen,’ zei ze. De eerste keer dat ik het liedje hoorde, ‘Zat een klein zigeunermeisje huilend op een steen’, brak ik in tranen uit. Dat was mijn lied, dacht ik. Dat was ik. Het in de steek gelaten kind, huilend, heel de dag alleen. Mijn moeder schudde haar hoofd. ‘Stel je niet aan,’ zei ze. Maar het gevoel bleef.
De Fabeltjeskrant bracht rust. Meneer de Uil, met zijn gemoedelijke stem, was een verademing na de strenge stilte tijdens het voetbal. Mijn broertje zat ademloos te kijken naar het bos vol pratende dieren. Iedereen viel even stil wanneer de verhalen van Meneer de Uil begonnen.
Maar een ander programma dat we voor het eerst zagen, bracht bijna onmiddellijk chaos: Paulus de Boskabouter. Zodra Eucalypta, met haar scherpe stem en boosaardige glimlach, haar opwachting maakte, gebeurde er iets met mijn broer wat niemand had verwacht. Eerst verstijfde hij, alsof de angst zich in zijn botten nestelde. En toen begon het. Niet zomaar huilen, maar schreeuwen, bijna wanhopig, alsof Eucalypta door het scherm heen in onze woonkamer was gestapt. Mijn moeder schoot overeind, haar gezicht strak van paniek.
‘Nee, nee, zet het uit!’ riep ze, alsof ze een brand bluste. Mijn vader bleef zitten, een wenkbrauw opgetrokken, alsof hij het allemaal wat overdreven vond. Maar mijn broer bleef krijsen en mijn moeder schakelde de televisie uit met een vastberaden tik op de knop. Daar zaten we dan te kijken.
‘Dit kijken we nooit meer,’ verklaarde ze. Het was een vonnis zonder beroep. De Fabeltjeskrant bleef, maar Paulus de Boskabouter was voortaan verboden terrein zodra Eucalypta opdook. Elke keer als ze verscheen, sprong mijn moeder overeind, klaar om de televisie uit te zetten.
Op zondagavond, na het eten, was het altijd hetzelfde ritueel. De radio mocht op een bepaalde tijd niet meer aan, want dan hoorde mijn vader de voetbaluitslagen. Ook als hij niet in de buurt was en wij ze toch hoorden, staken we onze vingers in de oren en gingen hard zingen.
Sport in Beeld, de heilige tijd van de week. Mijn vader keek zonder een woord te zeggen, wij ook.
De toverdoos was niet zomaar een apparaat; het was een venster naar een andere kleurrijke wereld, al werd mij later verteld dat we de programma’s in zwart-wit bekeken.