Een heel ander land

Friesland bleek inderdaad een heel ander land te zijn.

Tijdens de verhuizing ontdekte Mark de vlaggenmast in de bossage langs de tuin en vond hij dat we de vlag moesten hijsen. Toch een feestje, zo’n villa kopen. Ik, die nog nooit een vlag had willen zwaaien voor wie dan ook, stelde voor dat we een regenboogvlag zouden kopen. Weggehoond.

Ondertussen vond een vriendin in de schuur een vlag die bij de paal hoorde. Dachten wij.

We hesen de Nederlandse vlag en daar ging het meteen al mis. We werden nog net niet met pek en veren het dorp uitgezet, maar wat scheelde het. Ik werd er direct op aangesproken.

Of het al niet erg genoeg was dat het huis aan een Hollander was verkocht. Die rijke lui trokken maar allemaal naar het platteland en pikten de huizen in van de echte bewoners, de Friezen. Dat was al erg genoeg, maar dan ook nog de vlag hijsen alsof het een overwinning was.

Ik wilde nog iets zeggen, maar ze riep:

‘Hou je mond maar!’

Hoe kwader ze werd, hoe meer de lellen onder haar wangen begonnen te schudden.

‘Jullie denken altijd dat jullie alles beter weten!’

Toen beet ze mij toe:

‘HOLLANDER! Dat is wat je bent!’

Oei, dacht ik. Klinkt als een scheldwoord? Vast niet goed.

Ik stelde mij ijverig voor als er iemand langs het hek liep, omdat iedereen ‘Goeie’ tegen mij zei. Er liep nogal wat volk langs mijn hek, op weg naar de enige overgebleven tuinder in het dorp. Als we wat langer stonden te kletsen, nodigde ik de mensen uit voor koffie. Na die vraag verstomde het gesprek meteen en keken ze mij aan alsof ik een swinger was die een voorstel deed, waarna ze haastig verder liepen.

Mijn buurvrouw van drie weilanden verderop kon mijn getob met sociale contacten niet echt aanzien en vertelde mij op een dag, bij de koffie die zij wél accepteerde, dat ik dat niet zomaar kon doen.

‘Wat?’ vroeg ik.

‘Nou, iedereen op de koffie vragen.’

‘Waarom niet dan?’

‘Nou, dat doe je nou eenmaal niet. Weet je wat het is? Je doet te eigen. Daar houden wij niet van.’

Ik leerde onderweg, in mijn onwetendheid, dat een klein dorp korte lijnen heeft en dat de mensen in een zelfvoorzienend dorp van elkaar afhankelijk zijn. Dan ga je niet te lang of te diep op dingen in. Je kletst wat en gaat weer verder. Je hebt elkaar vaak nodig. En voor de gezelligheid moet je bij de vereniging zijn waarbij je bent aangesloten.

‘Welke vereniging dan?’ vroeg ik.

‘Nou, bijvoorbeeld de vrouwenvereniging, of in ons geval de straatvereniging.’

Alleen had iedereen in onze straat ruzie en was die opgeheven. Dat had de verkoper van het huis mij verteld.

Jammer voor ons.

Niet veel later werd ons toch gevraagd of we wilden meedoen met het versieren van de straat, want anders konden ze niet meedingen naar de straatprijs. Ik ontdekte waar de grote uitgezaagde houten bloem, de vlaggetjes en de lichtsnoeren op zolder voor dienden. Ik wist alleen niet waar ik ze moest plaatsen. In de tuin? Aan de straat zelf? Er was nogal wat ruimte om het allemaal kwijt te kunnen.

O ja, en de volgende week was het dorpsfeest, blijkbaar de hele week en schijnbaar om te vieren dat de toeristen weer vertrokken waren. Alle informatie kwam uit een bron die wij nooit vonden. Was er een feest, dan hadden wij dat gemist. Komt er opeens om zeven uur ’s morgens een optocht voorbij.

Begrepen wij ook niet.

Na een beetje rondhangen op straat kwamen we erachter dat de optocht ’s avonds weer voorbij zou komen. We waren er op tijd bij. We keken onze ogen uit. Wat was daar een werk in gestoken en wat was het prachtig gemaakt.

Voor mij stopte een praalwagen die met twee andere was verbonden. Op de eerste stond een nagebouwd carillon, waar de mensen als beeldjes elke keer naar buiten kwamen. Ernaast stond Sinterklaas te zwaaien. Erachter was een wagen waarop een rechtszaal was nagebouwd. Tot in detail was alles uitgewerkt.

We kregen het hele toneelstuk voor de kiezen. In de nagebouwde rechtszaal stonden de blokkeerfriezen terecht. Zij hadden drie bussen met demonstranten tegen Zwarte Piet tegengehouden, zodat die de landelijke sinterklaasintocht niet konden bereiken. Op de praalwagen werden ze door de rechter vrijgesproken.

O, fuck, dacht ik, dat heb ik gelezen. En dit waren nu mijn dorpsgenoten.

De zwartepietendiscussie was hier geen discussie.

‘Belachelijk,’ sprak een jonge moeder naast mij, met twee frisse blonde koters aan haar arm. ‘Mijn kinderen liggen ’s nachts wakker van de witte Pieten. Doodsbang zijn ze ervoor.’

Ik dacht dat ze een grapje maakte, maar het hele publiek juichte mee toen ze werden vrijgesproken.

Jezus, dacht ik, waar ben ik terechtgekomen?

‘Hoi,’ sprak de vrouw die naast ons opdook. ‘Jullie zijn toch nieuw hier? Jij bent die kunstenaar met de harige kippen. Wat heb je eraan? Die leggen toch echt geen eieren. En je man is die Amerikaan, toch?’

De Amerikaan naast mij verschoot van kleur. Iets ergers kun je niet tegen hem zeggen.

‘Ik ben Engels,’ begon hij.

Met een Nederlands paspoort. Nederlander dus.

Ze keek mij aan.

‘Wat zegt-ie? Ik versta hem niet.’

Gelukkig kwam de buuv ertussendoor.

‘Nou, wij gaan zo door naar de barbecue.’

Ook weer gemist.

‘De barbecue? Waar is die dan? Wat moet ik meenemen? Leuk, een kratje Hertog Jan, wat vlees en vis...’ stond ik blij te oreren.

‘Nou nee,’ zei ze, ‘jullie kunnen niet naar het feest komen. Het feest is van de Bovenweg.’

‘O, nou, dan komen we toch naar de Bovenweg?’ riep ik. Geen moeite te veel. ‘Leuk, dan leer ik iedereen kennen.’

‘Nee,’ zei de buurvrouw. ‘Je kunt niet komen, want je woont niet op de Bovenweg.’

‘Ja, en?’ riep ik. ‘Gezellig toch?’

‘Nee,’ zei ze, ‘het kan echt niet. Jullie hebben je eigen straatvereniging.’

‘Maar die is opgeheven!’

‘Ja,’ zei ik, ‘maar jij woont ook in mijn straat.’

‘Ja, dat wel,’ zei ze, ‘maar ik kom oorspronkelijk van de Bovenweg.’

Schiet mij maar lek.

Thuis op de bank, op de Nieuweweg, hoorden wij het feestgedruis in de verte en we namen een slokje van een Heineken.

Geen zin meer in Hertog Jan.

Over Margreet Blaas

Margreet Blaas is beeldend kunstenaar, Master of Realism, medium, reader en docent. Al meer dan dertig jaar houdt zij zich bezig met kunst, intuïtieve ontwikkeling, mediumschap en bewustzijn. Samen met Mark Falconer Atlee richtte zij in 1999 Nimis Centre of Light op.

In haar columns verbindt zij persoonlijke ervaringen met haar jarenlange praktijk als kunstenaar en docent. Ze schrijft over mensen, dieren, familie, spiritualiteit en de soms wonderlijke situaties van het dagelijks leven. Haar stijl is persoonlijk, observerend en nuchter, met ruimte voor humor en verwondering.