
Ik hou niet van honden
Over katten, een Dobermann en twee poedels die zich nergens iets van aantrokken
Ik hou niet van honden, ik ben een kattenmens. Dat getemde wilde van een kat bevalt me veel beter. Een kat heeft iets van: ik wil best geaaid worden, maar daarna ga ik weer verder met mijn eigen dingen. In dozen wonen, hooghartig staren, een klauw uitdelen als iets je niet bevalt en midden in een goed gesprek weglopen om je gelijk te halen; ik kan daar wel wat mee. Het is in ieder geval prikkelender dan die devote, kwijlende blik van zo'n dier dat aan je gaat hangen, je overal volgt en je vervolgens ook nog claimt.
Als kind vond ik honden vooral zielig. Op weg naar school moest ik door een steegje waar een zwarte langharige hond lag. Hij stonk, kwijlde, was broodmager en had volgens mijn moeder vlooien. Een vlooienbak dus, die we absoluut niet mochten aanraken. Het was iedere keer weer een heel gedoe om langs hem heen te schuifelen zonder dat hij tegen ons aankwam, want volgens mijn moeder had hij ook nog schurft en dat wilde je natuurlijk allemaal niet oplopen op weg naar school.
Toen ik later mijn eigen huis kreeg, kwam daar dan ook vanzelfsprekend een kat. Ik heb nog even samengewoond met een man die een herder had, maar die kende maar één baas en dat was ik niet. Als ik iets tegen haar zei, keek ze me meewarig aan en haar baas eigenlijk ook. Zodra hij er niet was, liep ze weg, waarna de dierenambulance haar weer terugbracht en ik iedere keer 25 gulden mocht betalen.
Ik had geen gezag, werd mij verteld. Geen overwicht. Gelukkig was ik wel de baas in mijn eigen huis en uiteindelijk heb ik ze er allebei uitgezet.
Veel later kwam er een Engelsman in mijn leven en die wilde graag een hond. Mark was met honden opgegroeid. Zijn moeder fokte ze professioneel, had kennels en zelfs een kampioenslijn poedels onder de naam Coetlogon. Hij was dus nogal gepassioneerd over honden, terwijl ik er nog steeds niets mee had. Ik hield de boot een tijdje af door te zeggen dat we er later, als we groter woonden, nog wel eens naar konden kijken. Een prima oplossing, totdat we inderdaad groter gingen wonen en Mark zich mijn woorden natuurlijk nog precies herinnerde.
Ik vroeg wat voor soort hond hij eigenlijk in gedachten had. Als het een beetje een poezenmaat was, zou het negeren van mijn kant misschien best lukken.
‘Een Dobermann.’
Ik had geen idee wat dat precies was. Of wacht, toch wel: Apollo en Zeus uit Magnum. Van die enorme zwarte honden zonder staart, met strakke koppen en rechtopstaande oren die er bijzonder overtuigend uitzagen als ze achter iemand aan renden.
Geen denken aan. Veel te groot en volgens mij levensgevaarlijk.
We kwamen overeen dat we alleen zouden gaan kijken bij een kennel waar verschillende soorten en maten puppy's te koop waren. Kijken, benadrukte ik. Daarna zouden we in overleg en zeer zorgvuldig bepalen wat voor hond eventueel bij ons zou passen.
We liepen de kennel binnen en overal zaten bakken met puppy's. Ik stond vol verbazing rond te kijken en mijn aandacht werd getrokken door een hond die zo te zien minstens drie maten te ruim in zijn vel zat. Ik had nog nooit zoiets gezien en stond dat wonderlijke dier te bestuderen toen ik vanuit mijn linkeroog Mark een beweging zag maken. Tegelijkertijd vloog ergens anders iets zwarts uit een bak en landde rechtstreeks in zijn armen, waarna mens en hond onmiddellijk in een innige omhelzing verstrengeld raakten, hart tegen hart.
‘We zijn klaar,’ zei Mark en hij liep naar de uitgang.
Ik las nog vlug het bordje bij de hond die te ruim in zijn vel zat. Shar-pei. Achteraf misschien maar goed dat ik daar niet langer over heb kunnen nadenken, en ik haastte me achter Mark aan.
Onderweg naar huis mocht de puppy bij mij op schoot. Gelukkig geen Dobermann, dacht ik nog, en qua maat viel het ook reuze mee. Eigenlijk was zo'n warm lijfje op schoot best gezellig.
Wat ik niet wist, was dat ik op dat moment gewoon met een Dobermann op schoot zat. De Dobermanns die ik kende hadden rechtopstaande oren en nauwelijks een staart. Ik wist niet dat ze van nature flaporen en een lange staart hebben. Ook was er nog een detail waaraan ik onvoldoende aandacht had besteed: puppy's groeien. Dobermannpuppy's zelfs behoorlijk veel.
Tegen de tijd dat ik dat allemaal ontdekte, was ik al verliefd.
Ze kreeg de naam Suzy, Suus in het dagelijks gebruik. De eerste nachten sliep Mark beneden bij haar op de bank om haar te laten wennen, want tenslotte was ze nog maar een kleine baby die ineens uit een groot nest was weggehaald. Daarna gingen wij trouw 's nachts naar beneden om haar uit te laten. Om drie uur en vervolgens om zes uur stonden we naast haar mand, waarna we haar moesten optillen en buiten neerzetten omdat het kind eenvoudig weigerde wakker te worden. Suus bleek een langslaper; half tien was voor haar vroeg genoeg en dat vond ik een buitengewoon aantrekkelijke eigenschap voor een hond.
De eerste nacht dat we besloten dat ze inmiddels wel alleen beneden kon slapen, kwamen we 's morgens de woonkamer binnen en bleek Suus een gat in mijn designbank te hebben gegraven waarin ze een buitengewoon knus nest voor zichzelf had gebouwd.
Het was niet zomaar een bank. Ik had hem ooit voor mezelf gekocht na het verbreken van een lange relatie. Eén keer in mijn leven, had ik toen gedacht, koop ik iets werkelijk moois en duurs voor mezelf. Die bank vertegenwoordigde voor mij dus veel meer dan een meubelstuk, alleen was niemand op het idee gekomen dat aan Suus uit te leggen.
Ik kon geen woord uitbrengen. Ik wees naar de hond, vervolgens naar Mark en daarna richting auto.
‘Hond in auto. Naar de hei. Hond loslaten. Zelf terugkomen en niet meer omkijken.’
Mark zette haar inderdaad in de auto, maar voerde gelukkig het tweede gedeelte van mijn instructies niet uit. Hij ging een rondje rijden en boodschappen doen met een inmiddels bibberende Dobermann achterin, want Suus had uitstekend begrepen dat er iets niet helemaal goed was gegaan. Van pure zenuwen heeft ze vervolgens de bediening bij de autodeuren gesloopt. Ze probeerde natuurlijk zelf alvast naar de hei te vertrekken.
Uren later kwamen ze thuis en geen van beiden durfde mij aan te kijken. Suus ging rechtstreeks naar haar mand en is daarna nooit, maar dan ook nooit meer in de buurt van de nieuwe bank gekomen.
Suus groeide uit tot een heerlijke, vrolijke hond die graag iedereen begroette en bijna iedereen hield van haar. Ze ging dagelijks mee naar Nimis en werd daar vanzelf een soort mascotte. Soms vroeg iemand wat het eigenlijk voor hond was. ‘Dobermann,’ riepen wij dan vrolijk, waarna sommige mensen onmiddellijk een stap achteruit deden.
Tijdens de puppytraining werd ons verteld dat de hond óns in de gaten moest houden en dat wij niet voortdurend op de hond moesten letten. Dobermanns zijn eigenwijs en vreselijk slim, dus wij besloten dat in het bos te oefenen door ons achter een boom te verstoppen. Suus vond ons iedere keer, maar na een aantal keren was ze het kennelijk zat en ineens waren wij háár kwijt. We liepen te roepen en te zoeken, totdat er plotseling vanachter een boom voorzichtig een Dobermannkop naar ons gluurde. Ze had het spel omgedraaid en zich voor ons verstopt.
Suus is negen veel te korte jaren bij ons geweest en kwam vrijwel dagelijks mee naar Nimis. Toen duidelijk werd dat ze zou overlijden, hebben we de avond ervoor een groot feest gegeven zodat iedereen die van haar hield afscheid kon nemen. Opgepept door de medicijnen van de dierenarts was ze die laatste avond weer even helemaal Suus. Er werd afscheid genomen en natuurlijk werden er Dobermanngrappen gemaakt.
Na haar overlijden was ons verdriet enorm en heb ik huilend geroepen dat ik nooit meer een hond wilde. Nog een keer zoveel van een dier houden en het vervolgens verliezen, daar had ik geen behoefte aan.
Zulke dingen moet je niet te hard roepen. Zeg maar nee, dan krijg je er twee.
Niet lang daarna overleed Marks moeder in Engeland en bleken er nog honden in haar huis te zijn. Een daarvan was Eva, een grote koningspoedel die veel in een bench had gezeten omdat ze niet geschikt was gebleken voor de fok. Ze kende nauwelijks iets van de wereld en keek voortdurend om zich heen alsof ze zojuist op aarde was aangekomen. Wij ontfermden ons over haar, lieten haar langzaam kennismaken met het leven buiten de bench en uiteindelijk ging ze mee naar Nederland en met de camper op avontuur.
Na de eerste nacht in het huis van mijn schoonmoeder hoorde ik 's morgens achter een deur een vreemd gepiep. Ik deed de deur open en zag een soort caviakooi met daarin iets waarvan ik niet onmiddellijk kon vaststellen wat het precies was. Een marmot, een cavia, ik wist eigenlijk niet wat ik ervan moest maken. Het lag tussen zijn eigen vuil en had een volledig verklitte vacht, dus ik besloot Mark er maar even bij te halen.
‘Het is een poedeltje,’ zei hij.
Ik heb het geval door een sopje heen gehaald en inderdaad, onder al die viezigheid bleek een piepklein hondje te zitten. Een teacup poedeltje, de naam zegt het al.
Het verlaten, eenzame hoopje nestelde zich vervolgens zonder enige moeite precies op de plek waarvan ik na Suus had besloten dat er geen ruimte meer was. Ik heb haar lange tijd geen naam gegeven omdat ik mij niet wilde hechten, alsof je daar zelf iets over te vertellen hebt.
Uiteindelijk werd het Dory, van het Engelse hunky-dory: alles is in orde, alles is prima. Dory ging mee naar Nederland, net als Eva.
En zo kwam het dat ik, de kattenmens die nooit een hond wilde, die absoluut geen Dobermann wilde en na Suus ook nog eens plechtig had verklaard nooit meer een hond te nemen, uiteindelijk met twee poedels thuiskwam uit Engeland.
Ik hou niet van honden.
Over Margreet Blaas
Margreet Blaas is beeldend kunstenaar, Master of Realism, medium, reader en docent. Al meer dan dertig jaar houdt zij zich bezig met kunst, intuïtieve ontwikkeling, mediumschap en bewustzijn. Samen met Mark Falconer Atlee richtte zij in 1999 Nimis Centre of Light op.
In haar columns verbindt zij persoonlijke ervaringen met haar jarenlange praktijk als kunstenaar en docent. Ze schrijft over spiritualiteit zoals zij die zelf waarneemt en beleeft: onderzoekend en nuchter, met verwondering, humor en ruimte voor een kritische blik.