
Borat: Catlife Regime
Een grote hond, per ongeluk geboren als kat
We brachten zijn moeder, Sophie, naar de dierenarts toen ze nog maar een paar maanden oud was, ruim op tijd, dachten wij, voor de sterilisatie. Onze Sophie is een vurige en pittige lapjeskat en was nog volop in ontwikkeling. Aangezien Sophie vanaf het prille begin dat ze bij ons kwam al bovenmatig liep te miauwen, te kletsen of, waarschijnlijk in haar geval, instructies tegen ons te schreeuwen, hadden we boven al dat geschreeuw niet gehoord dat ze krols was. Niks gemerkt…
Na een kwartiertje werden we al gebeld door mevrouw de dierenarts.
‘Ik weet niet hoor,’ begon ze, ‘maar deze poes is wel heel erg zwanger. Aan jullie natuurlijk…’
Tja, dat moet je tegen ons niet zeggen, dus we hebben de tienermoeder geheel intact weer opgehaald bij mevrouw de dierenarts. We namen haar weer mee naar huis.
We spraken onze poes onderweg nog wat opvoedkundig toe.
‘Had het nou met ons besproken, Sophietje, dan hadden we maatregelen kunnen nemen. We hadden toch iets anders van jou verwacht, Sophie. Zo jong en dan al met kind.’
Ze keek kwaad uit het raam en keurde ons geen blik waardig.
Ze was duidelijk tegen haar zin zwanger en veel te jong daarvoor. Ze probeerde ons en het hele gebeuren te negeren. Lapjeskatten hebben een zeer sterke eigen wil en bepalen, denken ze, zelf wel de regels. Ondanks haar eigen regels werd ze langzamerhand dikker en moesten de kittens toch echt geboren worden, ijzeren wil of niet.
Na een week of negen vonden we haar in mijn atelier op een stapel linnen doeken en liet ze ons toch wel trots haar vier kittens zien. In eerste instantie leek ze er toch blij mee. Ogenschijnlijk. Sophie kon het ene moment knuffelen en heel aanhankelijk zijn en het volgende moment alweer aangeven dat het klaar was. Met het verzorgende gedeelte van de kittens was ze snel klaar.
Moeder Sophie, zelf nog een slanke tienerkat met de mentale diepgang van een bakvis, keek na een paar dagen met lichte walging naar de kittens. Ze deed het absolute minimum. De melkbar openen: geen probleem, maar daarna ging ze de hort op.
Onze Dobermann Suus volgde het tafereel met grote, verliefde ogen. Verrukt was ze van de baby’s. Een grote Dobermann van ruim dertig kilo, glanzend zwart en vastbesloten om petemoe te worden van deze harige balletjes.
Zodra de moederkat vertrok, wurmde de Dobermann zich in het kattenbedje en waste en poetste de baby’s met veel liefde.
Ik hield mijn hart vast de eerste keren.
De kittens werden afgelikt met een tong die wel tien keer zo groot leek als zijzelf. Ik was bang dat bij elke lik een kitten mee naar binnen zou worden gezogen in die enorme mond, een keertje zou worden rondgedraaid en dan per ongeluk zou worden doorgeslikt.
Ik zag de Dobermann mij al aankijken met hele grote ogen en letterlijk een brok in de keel.
Oepsie Mam, ik heb het zo niet bedoeld. Sorry hoor.
En dan door naar de volgende.
Niet Gods plan.
Wel moest ik iedere keer alle kittens na deze liefdevolle behandeling een beetje afdrogen met een handdoek.
Naarmate de kittens groeiden en Sophie minder thuis was, werd Suus natuurlijk schijnzwanger. Inmiddels lag zij de hele dag in het kattenbed met de vier kittens en kwam Sophie langs om de kinderen te eten te geven. Vervolgens vertrok ze weer, na een blik op de Dobermann en een blik op mij.
Die blik kon ik niet duiden.
Ik riep haar nog na:
‘Niet weer laten bezwangeren, hè.’
Wetende dat je daar als ouder uiteindelijk niets aan kunt doen. Ze moeten zelf die verantwoordelijkheid voelen.
Maar de Dobermannvrouw was gelukkig. Zielsgelukkig met haar kittens.
Ze zeggen dat een moeder geen voorkeur mag hebben, maar in dit geval trok Suus duidelijk een roodharig kereltje voor.
Zijn vachttekening leek op een mankini en we begonnen hem ook Borat te noemen. Hij had echt iets van de Borat uit de film, een soort uitvergrote cultuurschok op vier pootjes.
Borat adoreerde Suus en wist wat hij diep van binnen wezenlijk was:
een hond.
Een grote hond.
Hij snapte de subtiele signalen van andere katten totaal niet. Hij staarde zijn broer en zussen recht in de ogen, wat katten haten, en kwispelde met zijn staart uit enthousiasme, wat de andere kittens en zijn moeder zagen als een oorlogsverklaring.
Kortom, hij leefde in een kattenlichaam, maar hanteerde de hondencultuur.
Hij overtrad continu de ongeschreven wetten van het kat-zijn zonder dat hij het zelf doorhad. Borat balanceerde elegantie met lompe luidruchtigheid.
Ook wij werden meer en meer verliefd op Borat en besloten dat Borat bij ons en Suus moest blijven. Die twee kon je niet willens en wetens scheiden.
Sophie, de moederkat, vond daar iets van.
Jongens horen de deur uit te gaan en niet bij hun moeder te blijven. Ze sloeg hem regelmatig hard van zich af omdat hij maar voor melk bleef komen en wees hem volhardend de deur.
Onaangedaan door de afwijzing hupte Borat dan richting Suus.
Geen soepele kattenloop, maar het enthousiaste, ietwat houterige huppelen van een puppy. Borat ontwikkelde een motoriek die biologen in verwarring zou brengen. Hij liep niet; hij huppelde met stijve achterpoten, zijn staartje strak omhoog als een kleine, trillende antenne.
Als Suus haar lippen optrok en zachtjes gromde, probeerde Borat hetzelfde. Hij trok zijn piepkleine roze lipjes naar achteren, ontblootte zijn vlijmscherpe babytandjes en produceerde een geluid dat klonk als een lekkende fietspomp.
Wanneer de deurbel ging en Suus naar de deur rende, stormde Borat er vlak achteraan. Daarna ging hij strak in de zithouding naast de Dobermann zitten en keek de bezoeker intens aan met wijdopen, hyperactieve ogen.
Over zichzelf had Borat in ieder geval geen enkele twijfel.
Omdat Borat opgroeide tussen de gigantische poten van Suus en af en toe een glimp opving van de afstandelijke, arrogante Sophie, trok zijn kleine brein een even logische als absurde conclusie.
Borat keek naar Suus: zijn echte moeder, groot en indrukwekkend, zoals een normaal levend wezen hoorde te zijn.
Borat keek naar Sophie: zijn biologische moeder, een vreemd, klein, hooghartig, harig wezen.
Borat dacht:
Ik ben een hond.
En die vreemde, kleine wezens die miauwen en elegant doen? Dat moeten wel katten zijn.
Het moment dat Borat voor het eerst zijn eigen spiegelbeeld in het raam zag, maakte zijn karakter compleet. Hij zag een klein, harig beestje met puntoren en snorharen. Hij keek naar zijn spiegelbeeld, keek achterom naar Sophie op de bank en dacht dat daar een andere kat stond.
Met de schaamteloze directheid van een Dobermann liep hij recht op zijn eigen spiegelbeeld af, drukte zijn natte neus tegen het glas, liet zijn tong uit zijn bek hangen en begon luidruchtig te hijgen.
Hij was er heilig van overtuigd dat hij, de grote stoere waakhond, zojuist een vreemde indringer had geïntimideerd.
Aan Borat de kat is niks subtiel.
Hij heeft, in tegenstelling tot gewone katten, geen enkel respect voor de persoonlijke ruimte van mens en dier. Die wordt volledig genegeerd.
Zit er een poedel op schoot, dan laat Borat zich langzaam over het hoofd van de poedel zakken totdat die naar adem happend verdwijnt.
Geweldig, denkt Borat dan.
En vervolgens nestelt hij zich in pure verrukking, ogenschijnlijk onnozel en naïef, op schoot.
Vroeger, vóór de poedels, ging ik wandelen op de hei met Suus.
Borat moest dan mee.
Hij was genoeg kat om geen riempje om te willen of aan een lijntje te lopen. Wat hij wel deed, was de hele weg schreeuwen en gillen alsof hij aan een lijn werd voortgesleept.
Als ik stilstond, keek hij met zijn grote, vrolijke, open ogen de toeschouwers van dit tafereel aan.
Hij leek schattig in die kattenvermomming.
Als mensen hem dan wilden aaien, sloeg hij meteen toe met lomp hondengedrag: in je hand bijten, zogenaamd om te spelen, of luid spinnend en kwijlend van enthousiasme tegen je aan duwen.
Moeder Sophie verdroeg dit onaangepaste gedrag nauwelijks.
Hij sliep met de hond, wilde hondenvoer eten en uit wandelen.
We zijn heel wat keren verhuisd en Borat wilde in elk nieuw huis meteen de deur uit.
Na uitleg dat dat niet oké was en hij de weg kwijt kon raken, zag je de pure verontwaardiging op zijn gezicht.
Iedere hond weet feilloos zijn baas terug te vinden.
Inmiddels is zijn grote liefde Suus overleden, zijn er nieuwe Dobermanns geweest en zijn er poedels gekomen.
Borat weet één ding:
hij maakt deel uit van de roedel en is nu de oudste hond in huis.
Zijn moeder Sophie telt niet mee.
Zij is een kat.
Over Margreet Blaas
Margreet Blaas is beeldend kunstenaar, Master of Realism, medium, reader en docent. Al meer dan dertig jaar houdt zij zich bezig met kunst, intuïtieve ontwikkeling, mediumschap en bewustzijn. Samen met Mark Falconer Atlee richtte zij in 1999 Nimis Centre of Light op.
In haar columns verbindt zij persoonlijke ervaringen met haar jarenlange praktijk als kunstenaar en docent. Ze schrijft over spiritualiteit zoals zij die zelf waarneemt en beleeft: onderzoekend en nuchter, met verwondering, humor en ruimte voor een kritische blik.