
Kippenvel
Over kippen, hun sociale leven en vergeten wie ze waren.
Ik voelde mijzelf koud worden en het kippenvel trok langzaam over mijn hele lichaam. Eerst werd het ijskoud in en rond mijn hart en vandaaruit leek die kou zich uit te spreiden naar mijn hele lijf. Ik schoot vol. Ik begon te bibberen en stak mijn hand naar ze uit.
Reikend.
Midden in een overvolle supermarkt, voor de koelafdeling.
Daar lagen ze. Keurig naast elkaar. Rij na rij. Voorzien van een datum.
De kleine lijken.
Omwikkeld met plasticfolie, liggend op een schaaltje, klaar voor hun laatste ronde.
Alles in mij wilde die lijkjes één voor één oppakken, tegen mijn borst aandrukken en weer verwarmen. Tot leven brengen. Ze weer horen praten, als een kip met een kop erop.
Ik wilde zachtjes tegen ze sussen. Een beetje tokkelen en vertellen:
‘Het komt goed, kleintje.’
Maar waarschijnlijk hadden ze míj dan opgepakt in die supermarkt wegens het gedrag van een kip zonder kop.
Want daar lagen ze dan maar.
Geplukt. Ontdaan van hun schoonheid.
Zonder kop, zonder klauwtjes, naakt tot op het vel. De vleugeltjes op hun rug gebonden, de poten stevig bij elkaar geknoopt.
Ik kreeg steeds dikker kippenvel over mijn hele lijf en was zo koud dat ik het tot op mijn botten voelde. Ik wilde eigenlijk naast ze gaan liggen.
Ik wilde ze weer warm aankleden. Ik voelde zelfs de neiging om te gaan breien. Zoals voor honden van die warme jasjes worden gemaakt. Misschien een dasje erbij. Een mutsje. Schoentjes. Alles om ze maar weer warm en heel te krijgen.
Ik probeer deze afdeling in supermarkten dan ook altijd te vermijden. Maar soms sla je in een onbekende supermarkt het verkeerde pad in en ineens liggen ze daar.
Alsof je een verkeerde afslag hebt genomen.
Weet dan niemand, zucht ik beverig in mijzelf, hoe leuk ze zijn?
Dat ze er een heel sociaal leven op nahouden. Dat ze voor elkaar zorgen. Dat ze slim zijn en veel meer begrijpen dan wij ze doorgaans toedichten. Ze spreken hun eigen taal en hebben een verrassend uitgebreide woordenschat van verschillende geluiden en signalen waarmee ze met elkaar communiceren. Ze herkennen elkaar en weten heel goed wie er wel en niet bij hun toom hoort.
En toch veroordelen we sommige tot een onbegrijpelijk leven in een schuur, met tienduizenden tegelijk, zonder ooit de hemel te zien. Waar vanzelf iedereen de pik op elkaar krijgt.
Tot de dood hun scheidt.
Dat ik ooit ontdekte hoe leuk ze werkelijk zijn, dank ik vreemd genoeg aan een hernia.
Ik moest noodgedwongen stilzitten en deed dat dan maar buiten, op een stretcher in de zon. Zo had ik ruim zicht op de wereld om mij heen.
Op een ochtend kwamen de dames druk kakelend naar buiten getuimeld. Ze stonden even wat beduusd in de tuin. Blijkbaar realiseerden ze zich dat er een vriendin ontbrak, want even later verdween er een ploegje, luid tokkend, weer naar binnen.
Niet veel later kwamen ze terug. Ze droegen een van hun zusters onder haar vleugeloksels naar buiten.
Ze was zichtbaar ziek en kon niet op haar pootjes staan.
Voorzichtig legden ze haar op een plekje in de schaduw. Om de beurt brachten de andere kippen haar eten. Verschoof de zon, dan verschoven zij haar ook.
Het eierlied klonk die dag bij niemand. Dat heerlijke, uitbundige, trotse geluid waarmee een kip na het leggen van een ei de rest op de hoogte stelt van haar geweldige prestatie, bleef uit.
’s Avonds werd de zieke dame weer naar binnen gedragen.
Normaal hoorde ik daar een tevreden geklets. Zelfs in hun slaap tokkelden mijn kippen nog door. Het klonk een beetje als het spinnen van een tevreden poes die zich veilig voelt. Maar die nachten hoorde ik het niet.
De volgende dag luisterde ik weer naar hun gesprekken. Er werd natuurlijk veel gekletst en, eerlijk gezegd, ook behoorlijk geroddeld, maar er werden vooral zorgen gedeeld.
Ze waren druk met het zoeken naar eten. Werd er iets lekkers gevonden, dan klonk er onmiddellijk een hoog geluid om de rest erbij te roepen. Was het écht heel goed, bijvoorbeeld een wormpje, dan versnelde het geluid en kwam de hele toom in razend tempo aangehold. Wat ze vonden, werd meteen naar de zieke zuster gebracht en voor haar neergelegd.
De enige jonge man die er rondliep, mocht zich nergens mee bemoeien. Die werd telkens weer verontwaardigd weggestuurd als hij kwam kijken.
Dat duurde zo een paar dagen. Langzaam knapte de zieke dame op en uiteindelijk kon ze weer gewoon meedoen aan het dagelijkse scharrelen.
Mijn zijdehoenders hadden allemaal een naam.
Mevrouw De Wit. Mevrouw De Zwart. Mevrouw De Bruin. Mevrouw De Koekoek.
Van die laatste waren er twee, dus eentje werd uiteindelijk Annemarie. En zo ging dat verder, voornamelijk op kleur.
En het kereltje? Dat heette Remco.
Remco liep daar een beetje beduusd tussen al die dames rond en vond op een gegeven moment dat het toch echt tijd werd dat hij ook weer eens wat aandacht kreeg, nu iedereen weer gezond leek.
Hij ondernam een dappere poging.
En sjonge, wat was ze boos.
De man was nog jong. Te jong om te begrijpen dat je een dame eerst iets te eten aanbiedt, vervolgens een dansje doet, je kleuren laat zien en pas daarna misschien een hoffelijke toenadering mag wagen.
Het ging hem niet goed af. Jeetje, wat hadden de dames de pik op hem.
Ik begreep ineens waar die uitdrukking vandaan moest komen.
Sowieso hadden ze de pik op iedere nieuwe meid die zich aandiende. De dames waren heel zorgzaam voor elkaar, zolang iedereen maar wist waar haar plaats was.
Toen we in Friesland gingen wonen, leerde ik ook een heel andere kippenwereld kennen.
In het begin wist ik niet eens wat die grote, stille schuren waren die overal in de buurt stonden. Ik was tenslotte iemand uit het westen.
‘Die weten niks, maar hebben altijd gelijk. Dat denken ze tenminste,’ was mij ooit toegebeten. In het Fries natuurlijk. Westerling. Hollander.
Het bleken enorme gebouwen waarin kippen met duizenden tegelijk werden gehouden. Kwam er vogelgriep, dan kon zo’n hele schuur worden geruimd. Duizenden dieren weg. Vergast.
We hoorden het droevige nieuws vaak bij de bakker of de groenteboer in het dorp. Dat die en die getroffen waren. Zo rot voor die mensen. Moesten ze weer overnieuw beginnen.
En de kippen? dacht ik dan in stilte.
Na de laatste afstraffing durfde ik niets te zeggen. Als Hollander, als buitenstaander, praat je daar natuurlijk niet over mee.
En daarna begon het weer opnieuw. Tienduizenden per keer.
Op een dag stond een vrouw bij ons over het hek naar mijn kippen te kijken. Ze hoorde bij een van die pluimveebedrijven uit de omgeving waar, zo had ik in het dorp gehoord, na vogelgriep de kippen waren geruimd.
Mijn zijdehoenders, met enorme pruiken op hun kop en een uiterlijk alsof ze die ochtend wel heel enthousiast naar de kapper waren geweest, liepen daar vrij rond en trokken altijd veel bekijks.
Ze wist dat wij weer teruggingen naar het Gooi en vroeg of ik die gekke kippen en hanen soms achterliet.
‘Ik wil ze wel hebben,’ zei ze. ‘Ik hou van kippen.’
Ze zei het alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.
Alles in mij werd koud.
Over mijn lijk, dacht ik.
Ik keek naar mijn dames. Naar die idiote pruiken, hun geklets, hun onderlinge ruzies en hun eigenaardigheden.
‘Nee,’ zei ik. ‘Mijn kippen gaan allemaal met mij mee.’
En dat gingen ze.
Misschien is dat waarom ik zo slecht langs die koelafdeling kan lopen.
Ik zie daar geen kip.
Ik zie Mevrouw De Wit. Mevrouw De Zwart. Mevrouw De Bruin. Mevrouw De Koekoek. Annemarie.
Ik zie dieren die kletsen en ruziemaken. Die elkaar wegjagen en voor elkaar zorgen. Die een zieke vriendin niet achterlaten wanneer ze niet meer zelf naar buiten kan.
En dan liggen ze daar ineens.
Dood.
Zonder kop. Zonder klauwtjes. Zonder veren. De vleugeltjes op hun rug gebonden.
Zonder naam.
Netjes omwikkeld met plasticfolie.
Misschien is dat wel wat we moeten doen om ze op te kunnen eten.
Vergeten wie ze waren.
Over Margreet Blaas
Margreet Blaas is beeldend kunstenaar, Master of Realism, medium, reader en docent. Al meer dan dertig jaar houdt zij zich bezig met kunst, intuïtieve ontwikkeling, mediumschap en bewustzijn. Samen met Mark Falconer Atlee richtte zij in 1999 Nimis Centre of Light op.
In haar columns verbindt zij persoonlijke ervaringen met haar jarenlange praktijk als kunstenaar en docent. Ze schrijft over mensen, dieren, familie, spiritualiteit en de soms wonderlijke situaties van het dagelijks leven. Haar stijl is persoonlijk, observerend en nuchter, met ruimte voor humor en verwondering.