Queen of the Castle

Spirituele praktijken in Villa Rusthoek

geschreven door Margreet Blaas

Ik slaak een gil.

Waarom?

Nou, omdat het kan.

Wij zijn gehuisd in een nieuw pand, Villa Rusthoek in Baarn, en hoe lekker is het om de rust af en toe even te verstoren met je eigen stemgeluid? We hebben een marmeren gang met plafonds zo hoog dat ieder geluid dat je maakt door de villa galmt.

En galmen doen we.

Niet alleen ik. Af en toe betrap ik een medehuurder ook op een gilletje, een klein stukje opera of zomaar een ander mooi geluid. Soms zingt er iemand stiekem en soms wordt er alleen wat geneuried. Neuriën schijnt trouwens goed voor je te zijn; ik heb ergens gelezen dat de trillingen helpen om spanning los te laten. Dat lijkt mij voldoende wetenschappelijke onderbouwing om iedereen aan te moedigen vooral zijn eigen unieke geluid te laten horen.

Soms luisteren alleen de bomen in het park mee, soms galmt een medehuurder terug.

Ik kan nog steeds nauwelijks geloven dat we hier terecht zijn gekomen. Villa Rusthoek ligt midden in een prachtig park en heeft niet één, maar twee echte oprijlanen. In onze voortuin liggen de Schotse hooglanders tevreden te smakken en te herkauwen alsof ze er al eeuwen wonen. Er is een vijver met vissen en een reiger die zich daar volgens mij inmiddels als eigenaar beschouwt, en achter de villa begint een soort sprookjesbos met enorme oude bomen.

Beuken of eiken, vertelde een deelneemster aan een van onze workshops mij afgelopen week. We stonden tijdens de eclips op het dak en probeerden, zonder het voorgeschreven brilletje en met inmiddels bijna verschroeide ogen, tevergeefs iets van dat natuurwonder te zien. Uiteindelijk keken we maar naar beneden, over de bijna drooggevallen vijver, na de vijfde regionale hittegolf op rij, en naar de majestueuze, nog steeds groene kruinen die schijnbaar onverstoorbaar boven het park uitstaken.

Of het nu beuken of eiken waren, had ik beter moeten onthouden. Wat wél bleef hangen, was wat zij daarna vertelde. Van de parkwachter had ze gehoord dat die oude bomen onder de grond een heel netwerk aanleggen waarmee ze met elkaar verbonden zijn. In droge tijden zouden de bomen die dichter bij de vijver staan via dat netwerk zelfs water doorgeven aan bomen die verder van het water af staan.

Ik keek nog eens naar de bomen en vroeg me af of dat misschien de reden was waarom ze er na al die hitte nog zo prachtig bij stonden. Ze verbinden zich en geven door wat nodig is.

Daar hou ik van. Daar wordt mijn hart blij van en voor je het weet sta ik weer te galmen in de marmeren gang.

 

Midden in die gang rijst een enorme houten trap uit de jugendstiltijd omhoog. Bovenaan zitten prachtige glas-in-loodramen en als je de trap opschrijdt — gewoon lopen kan hier eigenlijk niet — kom je op de verdieping met de balkons. Grote balkons, waar met gemak een halve familie op past. Koninklijke balkons eigenlijk.

Tijdens onze verhuizing zag ik Mark over het bordes de tuinkamer binnenlopen met een van de behandelbanken in zijn handen. Terwijl ik nog steeds om de haverklap ergens stilstond om naar een plafond, een raam of een stuk houtsnijwerk te kijken, liep hij door Villa Rusthoek alsof hij er thuishoorde.

Logisch, dacht ik. Mark groeide tenslotte in Engeland op, met een Franse vader van adel en een Engelse moeder, in een groot landhuis waar dit soort grandeur waarschijnlijk een stuk minder bijzonder was dan voor mij. En in Parijs wacht hem ook nog een titel: graaf de Coëtlogon. Hij hoeft hem alleen nog maar op te halen.

Dat zijn moeder die naam later gebruikte voor een complete lijn prijswinnende toy poedels, is weer een ander verhaal.

Zelf bleek ik overigens ook over onvermoede aristocratische talenten te beschikken. De eerste keer dat ik hier met Mark stond, liep ik naar de rand van het balkon en begon vanzelf te wuiven. Niet zwaaien, maar wuiven, vanuit de pols, met die merkwaardige beheerste beweging die een zekere stijfheid in het gedrag verraadt en die er bij een koningin volkomen vanzelfsprekend uitziet.

Het ging mij verrassend goed af.

Tijdens de verhuizing van Nimis naar dit pand stond ik er voor de tweede keer. Mijn vriend Barth was een van de mensen die ons die dag hielpen verhuizen. Op een gegeven moment liepen we samen naar de rand van het balkon, keken elkaar aan, begonnen te giechelen en vrijwel tegelijkertijd te wuiven.

In de jaren dat ik nog in Friesland woonde en hij in het westen, wisselden we veel van onze schrijverijen uit. Barth noemde mij gekscherend de Queen of the North en ik hem de King of the West. En daar stonden we dan, de Queen of the North en de King of the West, op een balkon van Villa Rusthoek in Baarn, koninklijk te wuiven naar een volk dat nergens te bekennen was.

Het volk zou ongetwijfeld juichen. We zouden toespraken kunnen geven, of helemaal niets zeggen en alleen maar wuiven.

“Ik kan hier wel aan wennen,” zeiden we tegen elkaar.

Queen of the Castle.

 

Na onze inhuizing bleef ik door de eindeloze gangen dwalen en ontdekte steeds meer kamers, deuren en trappen. Eén trap leidde naar de zolder en daar bleek Villa Rusthoek ook nog een heuse klokkentoren te hebben. Ik wist niet dat ik het in mij had, maar plotseling voelde ik een enorme behoefte om klokkenluider te worden.

Hoe mooi is het eigenlijk om je boodschap letterlijk de wereld in te luiden? Om het geluid over die oude bomen te laten gaan, steeds verder weg, over het landschap waar ooit de Zuiderzee lag.

Want ook dat ontdekte ik. Op deze plek stond ooit een villa met de naam Zeezicht. Vanuit het huis kon je destijds daadwerkelijk over de Zuiderzee uitkijken.

Alleen het woord Zuiderzee doet al iets met mij. Ik hou van shantykoren en oude zeemansliederen, van die stemmen die samen verhalen dragen over de zee, over vertrekken en thuiskomen, over verlies, verlangen en mensen die niet terugkeerden. Die liederen kunnen me mateloos ontroeren. Misschien juist omdat verdriet dat door één mens wordt gezongen verdriet blijft, maar in samenzang ineens iets anders wordt, iets wat gedragen kan worden.

De roep van de zee, de stemmen die elkaar vinden.

En zoals mijn hoofd dan werkt, ben ik ineens weer ergens anders. Ik heet tenslotte Margreet, een vorm van Margaretha. De naam gaat terug op het Griekse woord voor parel, margarites, maar er wordt ook een veel oudere oorsprong genoemd: mâr galliti, dochter van de zee of kind van licht.

Daar moest ik natuurlijk om glimlachen. Ik stond tenslotte in Villa Rusthoek, op de plek waar ooit Zeezicht stond en waar je daadwerkelijk over de Zuiderzee kon kijken. En dan dat kind van licht. Nimis heet niet voor niets Nimis – Centre of Light. Die naam hebben Mark en ik niet zelf achter een bureau bedacht; hij werd ons jaren geleden vanuit de spirituele wereld gegeven.

Nou ja, daar kun je in mijn vak natuurlijk weer van alles van maken.

Misschien zijn het tekens, misschien is het synchroniciteit, misschien doet mijn hoofd gewoon heel graag waar het goed in is en legt het verbanden tussen dingen die voor een ander volkomen los van elkaar staan.

Maar het raakt me wel. Een naam die je al je hele leven draagt, een zee die hier ooit aan de horizon lag, oude stemmen die zingen over verlies en verlangen en bomen die onder de grond met elkaar verbonden zijn. En dan Nimis, Centre of Light, dat jaren later juist hier terechtkomt.

Soms zijn het juist die onverwachte verbindingen die iets in beweging brengen.

En daar had je mij als schilder natuurlijk ook nog. Want zodra ik de Zuiderzee eenmaal voor me zag, sloeg mijn fantasie alweer op hol. Mijn hybride wezens en de zeemeerminnen die ik schilder begonnen zich vanzelf met deze plek te bemoeien. Barth had mij bovendien gewezen op het verhaal van Minne de Meermin. Misschien huisde er hier dus ook wel een vijvermin.

Zelfs met het laagstaande water moet dat kunnen.

 

Ergens tussen het galmen in de marmeren gangen, het wuiven vanaf de balkons, de klokkentoren, de zee die er niet meer ligt, de oude zeemansliederen, de vijvermin en die enorme bomen kwam er ineens een woord bij mij op: bezieling.

Deze plek voelt bezield. Er wordt hier nogal wat doorgegeven: geluid door de marmeren gangen, water tussen de bomen, verhalen in oude liederen en mensen die binnenkomen met ieder hun eigen energie, hun eigen trilling en hun eigen klank. Misschien is dat uiteindelijk wel wat Nimis hier zo op zijn plek maakt: verbinden en doorgeven wat nodig is.

Centre of Light. Kind van licht.

Ach ja, je moet het toeval tenslotte ook niet alle lol afpakken.

En misschien heeft Villa Rusthoek zelf ook gevoel voor humor, want als ik tegenwoordig de grote houten trap opschrijd en boven door de gang loop, kom ik langs de kamer van Barth. Dezelfde King of the West met wie ik tijdens onze verhuizing op het balkon stond te wuiven naar een volk dat nergens te bekennen was.

“Ik kan hier wel aan wennen,” zeiden we toen tegen elkaar.

Dat bleek.

Niet veel later nam ook Barth zijn intrek in Villa Rusthoek. Inmiddels heeft de King of the West er zijn eigen kamer, waar hij schrijft aan Poëzie van het Gewone.

Ik loop verder, de grote houten trap af, terug naar de marmeren gang. Misschien vormen we hier inderdaad allemaal onze eigen klank in een groter geheel.

Dat klinkt behoorlijk verheven voor iemand die deze gedachte voornamelijk heeft ontwikkeld door in een marmeren gang te gillen.

Dus dat doe ik nog maar eens.

Omdat het kan.

Over Margreet Blaas

Margreet Blaas is beeldend kunstenaar, Master of Realism, medium, reader en docent. Al meer dan dertig jaar houdt zij zich bezig met kunst, intuïtieve ontwikkeling, mediumschap en bewustzijn. Samen met Mark Falconer Atlee richtte zij in 1999 Nimis Centre of Light op.

In haar columns verbindt zij persoonlijke ervaringen met haar jarenlange praktijk als kunstenaar en docent. Ze schrijft over spiritualiteit zoals zij die zelf waarneemt en beleeft: onderzoekend en nuchter, met verwondering, humor en ruimte voor een kritische blik.