
Geen zorgen voor morgen
Over oma, God en de verhalen waarover niemand sprak
Wij zeiden altijd dat oma bij mijn tante in huis woonde, maar eigenlijk was het andersom: mijn tante woonde met haar man en hun drie dochters in het huis van oma. Omdat haar man vrachtwagenchauffeur was, op het buitenland reed en vaak lange tijd van huis was, was het er een echt meidenhuis.
Omdat ik thuis alleen broers had, beschouwde ik mijn nichtjes een beetje als mijn zusjes. Ik was graag bij hen thuis, veel liever dan tussen mijn altijd baldadige en stoeiende broers, die alle aandacht van mijn vader vroegen wanneer hij een keer thuis was.
‘Nog een kind erbij,’ zei mijn moeder dan. ‘Drie jongens in plaats van twee.’
Als ik bleef slapen, sliep ik bij mijn oudste nichtje op de kamer. We scheelden maar negen maanden en waren thuis allebei de oudste, met alle voor- en nadelen die daarbij hoorden.
Wie van ons meiden het vroegste wakker werd, mocht als eerste naar oma toe. Dat wilden we allemaal graag, want zodra oma haar kamerdeur voor ons opende, kwamen we in haar eigen wereld terecht en hoefden we even met niemand anders om aandacht te concurreren.
De radio nam een belangrijke plaats in op haar kamer. Oma luisterde graag naar de mis, die rechtstreeks werd uitgezonden, en naar andere mededelingen vanuit de katholieke zuil. Er klonken gregoriaanse gezangen, klassieke kerkmuziek en volksliederen met een religieuze inslag. Soms kwam er ook een licht popliedje voorbij, maar alleen als de tekst netjes was. Cliff Richard kon haar goedkeuring wegdragen; hij was tenslotte openlijk christen.
Wanneer wij binnenkwamen, mocht de radio uit of wat zachter en kregen we haar onverdeelde aandacht, een ongekende luxe in onze familie.
Aan de muur hing een houten bordje met de woorden: Geen zorgen voor morgen. Een van mijn ooms, die later een nozem werd, had het gemaakt. Ik was altijd gebiologeerd door die spreuk, juist omdat oma volgens mij voortdurend zorgen voor morgen had. Pas veel later leerde ik dat achter haar kalmte een zorgelijke en nerveuze vrouw schuilging. Tegenover mij liet ze daar weinig van merken. Bij oma voelde ik mij veilig.
Pas als je rustig was, mocht je het engeltje opdraaien. Het was een muziekdoosje met een klein porseleinen engeltje dat op een piepend deuntje rondjes draaide. Met de sleutel in zijn rug brachten we het tot leven. Terwijl het engeltje bleef draaien, had ik het gevoel dat het meer wist over oma’s kamer dan wij.
Prominent aan de muur hing ook het portret van een man, met daaronder één woord: Vader. Het duurde een tijdje voordat ik begreep dat dit opa was en niet Onze Vader.
Zodra je vragen over hem stelde, welden er tranen op in oma’s ogen. Haar verdriet was stil, maar zo voelbaar dat we al snel leerden er niet meer naar te vragen. Vader hing zwijgend aan de muur, naast het kruisbeeld van Jezus, aan wie het lijden duidelijk viel af te lezen.
Opa was schoenmaker geweest en had zijn werkplaats aan huis. Iedereen kwam bij hem om schoenen te laten verzolen, maar van de man achter de schoenmaker kreeg ik nooit een duidelijk beeld. Over hem werd nauwelijks gesproken en waarschijnlijk zou ieder van zijn negen kinderen hem anders hebben beschreven.
De schoenmakerij werd later een schuur, waarin nog veel van zijn gereedschap en houten mallen stonden. Wij keken er met eerbied naar. Veel dichter bij opa konden we niet komen.
‘Oma en opa hielden heel veel van elkaar,’ vertelde mijn moeder. ‘Ze hadden alleen oog voor elkaar. Tot het einde toe waren ze zo verliefd dat ze ons eigenlijk niet zagen staan.’
Daarom hadden ze volgens haar zoveel kinderen.
Opa overleed op het station aan een hartaanval. Toen hij niet goed werd, bood de man die de kaartjes voor de fietsenstalling verkocht hem zijn stoel aan. Daar stierf hij, op de stoel van een vreemde, terwijl hij nog zo jong was.
Na zijn dood raakte oma zo overstuur en, zoals dat in de familie werd genoemd, een beetje gek, dat ze niet meer goed voor zichzelf en de thuiswonende kinderen kon zorgen. Dat waren mijn moeder, haar jongere zus en twee broers. Een van hen was Tonny, die het syndroom van Down had.
Wat er daarna precies gebeurde, is mij nooit helemaal duidelijk geworden. Volgens een van mijn tantes werd oma een jaar opgenomen in het nonnenklooster in ons dorp, terwijl een andere tante zegt dat dit niet waar is. Zoals bij zoveel gebeurtenissen in onze familie bestaat ook van deze periode niet één gezamenlijk verhaal. Mijn moeder vertelde wel dat zij, haar zus en haar broers zichzelf in die tijd min of meer moesten zien te redden.
Terwijl oma mij leerde breien, vertelde ze eens dat Tonny een straf van God was. Ik begreep daar niets van. Hoe kon een God die volgens oma alles wist, haar straffen met een kind van wie ze zoveel hield?
‘Wat hebt u dan fout gedaan?’ vroeg ik.
Ik kon werkelijk niets bedenken. Oma was altijd lief, sprak nooit kwaad over anderen en besprak haar ene kind niet met het andere. Ook wat je haar in vertrouwen vertelde, bleef bij haar.
Oma merkte dat mijn moeder en ik het soms moeilijk met elkaar hadden. Ik voelde mij thuis vaak bekritiseerd en had het gevoel dat mijn moeder mij te dicht op de huid zat. Oma koos geen partij en sprak nooit kwaad over haar dochter. Ze luisterde alleen en zei dan:
‘Je moeder heeft zichzelf ook niet gemaakt. Doe maar lief, dan gaat het vast beter.’
Met die woorden zette ze een deur op een kier. Voor het eerst ving ik een glimp op van iets waarvoor ik als kind nog geen woorden had: dat mijn moeder niet alleen mijn moeder was, maar ook een dochter met haar eigen geschiedenis.
Oma kon de verhouding tussen ons niet veranderen, maar ze liet mij wel voelen dat ze mij begreep. Bij haar voelde ik mij veilig en gezien.
De vraag naar oma’s straf liet mij niet los. Ik bestudeerde haar gedrag en dacht er lang en diep over na. Een volgende keer, terwijl we weer samen breiden, begon ik er opnieuw over.
‘Nou,’ zei ik, ‘ik weet echt niet wat u fout hebt gedaan.’
‘Ik ook niet,’ antwoordde ze, ‘maar God weet het wel.’
Daarbij hief ze haar vinger op, alsof ze precies wist waar Hij zich bevond.
Ik kreeg een steeds grotere hekel aan die oude man. Mijn lieve oma straffen, waarvoor?
Ik begreep evenmin waarom Tonny een straf zou zijn, want we waren allemaal gek op hem. Hij kwam vaak bij ons thuis, zat met ons in het opblaasbad in de tuin en schommelde graag heen en weer. We voerden hem, hielpen hem naar de wc, veegden zijn neus af en zaten naast hem op de bank televisie te kijken.
Hij schommelde en wij schommelden mee.
Wanneer oma Tonny in het tehuis ging bezoeken, wilden we allemaal mee, al speelde de grote speeltuin die daar stond waarschijnlijk ook een rol. Zodra ze haar zoon zag, klaarde haar gezicht op. Ze voerde hem een gevulde koek, liet hem zijn koffie opslurpen en keek ondertussen goed of er wel voor hem werd gezorgd. Als hij de koek weigerde, was ze de hele terugweg overstuur.
Oma was stapel op hem en vertelde vaak wat een knappe baby hij was geweest. Pas toen Tonny bijna drie jaar oud was, kreeg ze te horen dat hij het syndroom van Down had en dat er, volgens de mensen die ervoor hadden doorgeleerd, niets meer van hem te verwachten viel.
‘Je zag echt niets aan hem,’ zei oma altijd. ‘Zo’n knappe jongen.’
Wij vonden hem ook knap. Wat was er nu eigenlijk anders aan hem? Hij kon niet praten en zijn tong hing vaak uit zijn mond, maar voor ons hoorde dat gewoon bij Tonny.
En dan was er nog het verhaal dat Tonny tijdens de oorlog het leven van opa had gered. Duitse soldaten vielen het huis binnen om onderduikers te zoeken, terwijl oma hem net op de commode stond te verschonen. Een van de soldaten keek naar het kind en daarna naar haar.
‘Ich habe auch so ein Kind,’ zei hij.
Daarna stuurde hij de andere mannen het huis uit. Opa zat ergens in het huis verstopt en werd niet gevonden.
De zoon die oma een straf van God noemde, had het leven van zijn vader gered.
In oma’s ogen zag ik nooit straf wanneer ze naar Tonny keek. Ik zag hoe haar gezicht opklaarde als ze hem ontmoette, hoe ze hem zijn gevulde koek voerde en hoe ongerust ze werd wanneer hij niet wilde eten. In haar kamer hing zijn prachtige zwart-witbabyfoto tussen alle spulletjes aan de muur.
We mochten kijken met onze ogen en niet met onze handen. Wat we wel met onze handen mochten doen, was een boterham met hagelslag eten, het engeltje opdraaien en leren breien.
Misschien hing Geen zorgen voor morgen niet aan de muur omdat oma geen zorgen had, maar omdat ze er zoveel had.
Over vroeger sprak ze niet. Haar breispullen gingen overal mee naartoe en haar handen stonden bijna nooit stil. Voor iedereen maakte ze sloffen die onze voeten warm hielden.
Bij oma kreeg niemand koude voeten.
Over Margreet Blaas
Margreet Blaas is beeldend kunstenaar, Master of Realism, medium, reader en docent. Al meer dan dertig jaar houdt zij zich bezig met kunst, intuïtieve ontwikkeling, mediumschap en bewustzijn. Samen met Mark Falconer Atlee richtte zij in 1999 Nimis Centre of Light op.
In haar columns verbindt zij persoonlijke ervaringen met haar jarenlange praktijk als kunstenaar en docent. Ze schrijft over spiritualiteit zoals zij die zelf waarneemt en beleeft: onderzoekend en nuchter, met verwondering, humor en ruimte voor een kritische blik.