
Geen regenboog
Het was de vijfde hittegolf van de zomer. Althans, regionaal, maar vijf is vijf en het stond in de krant. Nederland snakte inmiddels naar regen. Het gras was geel, de tuinen droog en overal hoorde je dezelfde verzuchting: het zou toch eens moeten gaan regenen.
Wij vonden dat ook.
En regen kregen we.
Uitgerekend op de dag dat we met een auto vol kunstwerken naar een kunstmarkt in Bergen reden.
Onderweg kwamen de eerste tropische buien al naar beneden. Van die regen waarbij de ruitenwissers op volle snelheid bewegen en je desondanks voornamelijk water ziet. Tussen de buien door brak af en toe de zon door en iedere keer keken we hoopvol naar de lucht.
Waar is de regenboog?
Mijn oma zei vroeger altijd dat het kermis in de hel was als de zon scheen terwijl het regende. Op haar begrafenis gebeurde precies dat. Het regende en tegelijkertijd scheen de zon. Sindsdien zeggen we in onze familie dat als de regenboog verschijnt, oma even meekijkt.
We bleven kijken.
Geen regenboog.
Wel aquaplaning.
Eenmaal in Bergen scheen de zon. We kwamen vast te zitten op de kunstmarkt rond de kerk, waar iedereen tegelijk aan het uitladen was en niemand ook maar een centimeter wilde wijken van de zojuist geclaimde plek. De kerk zelf stond er al eeuwen en leek die houding volledig te ondersteunen.
Uiteindelijk stond alles. De tent stond overeind, de schilderijen waren uitgestald en wij waren nog droog. Het optimisme keerde onmiddellijk terug. Dit ging best goed komen.
Bij de eerste regenbui lachten we nog. We hadden er tenslotte zelf om gevraagd en het was ook veel te droog geweest. Bij de tweede waren we echte Hollanders geworden. Geeft niks, riepen we tegen elkaar. We smelten heus niet van een beetje regen.
Dat bleek waar. Wij smolten niet en mijn kunst ook niet.
Er werd alleen weinig op gereageerd. Gecorrigeerd werd er wel.
Een mevrouw bleef voor een van mijn koeien staan. Ze wees naar het schilderij en keek mij nogal verontwaardigd aan.
"Dat zijn Holsteinkoeien. Die hebben horens."
Ik keek naar mijn koe. Geen horens.
"Alleen worden die horens er al jong afgebrand," ging ze verder. "Anders staan ze met z'n allen veel te dicht op elkaar in de stal en verwonden ze elkaar."
Voor ik iets kon zeggen, waren we bij de schapen en geiten beland. Staarten werden afgebonden, de bevruchting kwam ter sprake en toen volgde ook nog het verhaal van het ei en de kale kip. Haar gezicht werd steeds roder en haar stem steeds feller. De koe zonder horens was allang uit beeld verdwenen; haar verhaal stormde inmiddels van de ene misstand naar de andere.
"Weet je eigenlijk wat ze allemaal met die dieren doen?"
Ze wachtte niet op antwoord.
Ze kon het weten, vertelde ze uiteindelijk, want ze was zelf op een boerderij opgegroeid. Gelukkig woonde ze daar niet meer. Op die plek van dierenmishandelaars.
Ondertussen raasde de regen steeds harder op het zeil. Zij praatte door, de regen ook, en op een gegeven moment won de regen. Ik zag haar mond nog bewegen, maar verstond geen woord meer. Dus knikte ik. Zij knikte terug en uiteindelijk stonden we alleen nog vriendelijk naar elkaar te glimlachen.
Ik heb haar niet eens kunnen vertellen dat ik overtuigd veganist ben en dat de dames die ik schilder vrolijk achter mijn huis rondlopen.
Even later stond er een man voor Ramman. Hij keek er een tijdje naar en ik dacht nog: kijk, belangstelling.
Dat was het niet.
"Ik vind hem eng," zei hij.
Hij wees met zijn aansteker naar het schilderij terwijl hij probeerde een sigaret op te steken. Precies op dat moment kwam er een flinke windvlaag onder het zeil. Op het dak had zich inmiddels een behoorlijke hoeveelheid regenwater verzameld en die kwam in één keer naar beneden. Niet een paar druppels, maar de hele voorraad, recht in zijn nek. Alsof die plas daar al die tijd had liggen wachten tot precies deze man voor Ramman zou gaan staan en hem eng zou noemen.
Er liep een vrouw achter hem langs. Hij draaide zich onmiddellijk om en viel woedend tegen haar uit.
"Het was de wind!" riep ik.
Hij keek naar haar, naar mij en uiteindelijk naar het zeil boven zijn hoofd. Daar stond hij dan, doorweekt als een kwade verzopen kater. Vervolgens keek hij naar de sigaret die hij nog steeds in zijn hand had.
"Gelukkig is die nog droog."
En hij stak hem op.
Ik keek naar Ramman.
Nou ja.
Daarna begon het opnieuw te regenen en veranderde de kunstmarkt langzaam in een optocht van paraplu's.
Tijdens een korte droge periode verdwenen de paraplu's en kwamen de fietsers. Sportieve mensen, uiteraard met helm, die met hun fiets aan de hand over de kunstmarkt liepen.
Nu heb ik nogal wat gedachten over fietshelmen, maar ik probeer mezelf daarin te corrigeren. Ik kom tenslotte uit een tijd waarin we kennelijk een heel andere verhouding tot gevaar hadden. Ik heb achter op een oude BMW door de Spaanse bergen gereden zonder helm, in een ultrakort jurkje, om uiteindelijk zo uitgedroogd in een dorp aan te komen dat we eerst drie liter water moesten drinken voordat we weer enigszins aanspreekbaar waren.
Als ik daar nu aan terugdenk, was de fietshelm waarschijnlijk niet het grootste probleem van mijn generatie.
Dat was overigens in het deel van Spanje waar de Amerikanen hun westerns opnamen, maar dat is weer een heel ander verhaal. We waren nu in Bergen en ik vroeg me vooral af waarom je met een fiets aan de hand over een kunstmarkt loopt. Je kunt hem ergens neerzetten of je kunt erop fietsen. Dat leken mij tot dan toe de twee voornaamste functies die we voor de fiets hadden bedacht.
Toen moest ik natuurlijk aan mijn vader denken. Geboren voor de oorlog, opgegroeid tijdens de oorlog en daardoor voorzien van een heel repertoire aan uitspraken over Duitsers, fietsen en de weg vragen die ik hier niet ga herhalen.
Sommige familiegeschiedenis kun je beter niet actualiseren op een kunstmarkt in Bergen.
Dus ik keek naar de helmen, de fietsen en de mensen die ermee tussen de kunstkramen door manoeuvreerden en hield wijselijk mijn mond.
Dat lukt me vaker dan je misschien denkt.
De volgende hoosbui maakte een einde aan de fietsers. Eigenlijk aan iedereen. Binnen een paar minuten waren de straten weer leeg en stonden wij met onze kunst rond de kerk naar de regen te kijken.
Inmiddels was het etenstijd. Ik keek naar mijn verregende broodje en naar mijn koffiebeker, waarin meer regenwater dan koffie zat. We begonnen het koud te krijgen, letterlijk en zo langzamerhand ook een beetje figuurlijk. Het optimisme van die ochtend had het opmerkelijk lang volgehouden, maar begon nu toch wat vochtplekken te vertonen.
Blijkbaar was dit voor de inwoners van Bergen juist een uitstekend moment om de hond uit te laten, want het grasveld rond de kerk begon zich te vullen met honden en hun baasjes.
Toen gingen de kerkdeuren open en kwam er een groep mannen naar buiten. De man die vooropliep, stak zijn hand uit om te voelen of het nog regende.
Voor het zingen de kerk uit, dacht ik.
Honden schilder ik ook en toevallig stond er die dag eentje op tafel. Een zeer ontspannen exemplaar, op zijn rug, met alles wat een reu nu eenmaal bij zich draagt keurig in beeld.
Ook daar moest natuurlijk iets van gevonden worden. Sommigen bekeken hem met lichte afkeuring; bij een paar oudere bezoekers kwam het zelfs dicht in de buurt van afschuw.
"Dat hoef je toch niet zó te schilderen?" zei iemand.
"Jawel hoor," zei ik vrolijk. "Ik noem hem Piemelmans."
Dat hielp niet bij iedereen, maar sommigen schoten in de lach. Mark, die dit soort situaties doorgaans graag van enige internationale verdieping voorziet, riep:
"A dirty mind is a joy forever."
Daar stonden we dan, rond een kerk in Bergen, doorweekt en met Piemelmans op tafel.
Ik keek naar mijn broodje. Het was nog steeds nat.
Mijn voeten nu ook.
Op straat was het inmiddels stil geworden. Het was pas zes uur, maar de lantaarns gingen al aan. De lucht boven Bergen werd donkerder en donkerder en het plein rond de kerk liep leeg. Voor het eerst die dag begon ik te denken dat we misschien toch iets te enthousiast waren geweest met ons Hollandse we smelten niet van een beetje regen.
Toen lichtte de hemel op.
Een felle flits boven de kerk.
Ik zat onmiddellijk in een scène uit Carnivàle: een leeggelopen plein, een kerk, een dreigende hemel en het soort licht waarbij je ieder moment verwachtte dat goed en kwaad persoonlijk naar buiten zouden komen om de zaak uit te vechten.
De donder begon zich boven ons uit te rollen.
Dit werd episch.
Nu heb ik best begrip voor goed en kwaad en ook voor de eeuwige strijd daartussen, maar als die zich letterlijk boven mijn hoofd afspeelt terwijl ik onder een metalen marktkraam sta, weet ik wanneer het tijd is om weg te wezen.
Bij de volgende klap stond Mark op.
"Ik haal de auto."
Dat leek me ineens een uitstekend plan.
We begonnen in te pakken. Van zorgvuldig wikkelen en rustig bedenken welk schilderij waar hoorde, was geen sprake meer. Kunst naar binnen, spullen bij elkaar en wegwezen. De regen sloeg tegen het zeil, de wind trok eraan en boven de kerk rolde de donder verder.
Twee weken lang hadden we om regen gevraagd.
We hadden hem gekregen. Ruimhartig zelfs.
We reden Bergen weer uit, met de kunst achterin en de regen op het dak.
Geen regenboog.
Over Margreet Blaas
Margreet Blaas is beeldend kunstenaar, Master of Realism, medium, reader en docent. Al meer dan dertig jaar houdt zij zich bezig met kunst, intuïtieve ontwikkeling, mediumschap en bewustzijn. Samen met Mark Falconer Atlee richtte zij in 1999 Nimis Centre of Light op.
In haar columns verbindt zij persoonlijke ervaringen met haar jarenlange praktijk als kunstenaar en docent. Ze schrijft over spiritualiteit zoals zij die zelf waarneemt en beleeft: onderzoekend en nuchter, met verwondering, humor en ruimte voor een kritische blik.